Ik vraag me nog altijd af hoeveel onze bouwgeschiedenis hier ook in meespeelt. Naast regelgeving is er immers nog altijd de Nederlandse “allergie” voor appartementen. Zeker wanneer het gezinnen betreft. En dit lijkt nog wel enige relatie te hebben tot hoe onze steden historisch gezien zich eveneens hebben ontwikkeld.
Waar Amsterdam al heel vroeg te maken had met extreme dichtheid en daardoor logischerwijs de hoogte in ging, zie je dat in veel andere steden vooral nog gezinswoningen werden gebouwd. In steden als Utrecht en vergelijkbare historische stadscentra werd juist in de populaire huisstijl periode van ±1850–1930 nog heel planmatig en ruimer gebouwd, vaak met de expliciete insteek van gezinswoningen.
Zo werden in Utrecht in 1850-1930 vooral veel eengezinswoningen gebouwd (zie bv
Tuinwijk,
Zuilen,
Oog in Al en rond het
Wilhelminapark) en daarmee werden op grote schaal woningen neergezet die bedoeld waren voor één huishouden, vaak met meerdere kamers, een tuin en een focus op leefruimte. Zelden (niet?) werden woningen oorspronkelijk als appartementen of bovenwoningen ontworpen. Veruit de meeste gebouwen zijn pas later opgesplitst (vooral voor studenten/verhuur) en ook de sociale woningbouw van voor ± 2020 bestaat hoofdzakelijk uit grondgebonden gezinswoningen.
In Amsterdam ging dat toch ietsje anders, mede door de extreem hoge bevolkingsdichtheid ten tijde van de groei in de haven in de 16e eeuw was uitbreiden in de breedte nauwelijks mogelijk en werd bouwen in de hoogte de norm.
Nog wat leuke/inzichtelijke citaten van een
artikel over Amsterdam in de 16e eeuw met wat leuke inzichten:
Reijer Claesz de Backer was een bevoorrechte Amsterdammer. Hij bezat vastgoed dat bij elkaar een jaarlijkse huurwaarde vertegenwoordigde van f 187,-. Alleen daarmee al behoorde hij tot de gegoede bovenlaag van de Amsterdamse samenleving. De meeste van de ongeveer 30.000 inwoners rond 1560 konden daar alleen maar van dromen. Een gemiddeld jaarloon voor geschoolde arbeid bedroeg zo’n f 125,- tot f 175,- en een opperman in de bouw verdiende niet veel meer dan tien stuivers per dag. Zij hadden moeite de eindjes aan elkaar te knopen. Reijer Claesz kende dit soort problemen niet. Hij zag zelfs kans om flink te investeren, zodat de huuropbrengsten alleen nog maar verder toenamen.
In 1562 moest Reijer Claesz een extra belasting betalen: de tiende penning. Alle Amsterdammers moesten 10% van de jaarlijkse huurwaarde van hun huis of kamer betalen, een heffing die de landheer of landvoogdes af en toe oplegde. Reijer Claesz woonde zelf op de Zeedijk bij de Sint Olofspoort in een huis met een huurwaarde van f 55,- per jaar, bijna het dubbele van het Amsterdamse gemiddelde in die tijd. Zijn huis was niet bijzonder groot, maar wel zijn eigendom en bovendien was de omgeving een toplocatie. Vlak bij de haven en de Nieuwe Brug vormde de poort de ingang tot de Warmoesstraat, samen met het Damrak de duurste straat van de stad.
Reijer bezat meer huizen. Hij had nog een huis aan de Zeedijk, dat hij voor f 35,- per jaar aan Jan Jansz verhuurde. Aan de Ossenmarkt, bij het Spui, huurde Trijn Jacobs een woning van hem voor f 24,-, en dan had hij ook nog twee panden tussen de Nieuwezijds Voor- en Achterburgwal. Het ene huurde Jan Cornelis voor f 30, in het andere woonden twee huurders: Peter Mol in het voorhuis aan de Voorburgwal 86 betaalde f 30,-, Michiel Oom in het achterhuis f 13,-.
Om een idee te krijgen: in Antwerpen stonden in 1568 11.856 huizen binnen de stadsmuren, een extreme dichtheid van 52,7 wooneenheden per hectare; in Amsterdam was de dichtheid nog hoger met 5271 belastbare eenheden op een gebied van 80 hectare, dat deels uit water bestond en waarop ook nog alle publieke gebouwen, straten en veertien kloosterterreinen te vinden waren. Zelfs zonder deze gebouwen was in 1562 de dichtheid van Amsterdam 65,6 eenheden per hectare.
Wie zoals Reijer Claesz meer vierkante meters wilde, had eigenlijk maar één optie: de hoogte in. Het vergroten van een perceel was vrijwel onmogelijk. En als zo veel Amsterdammers gaf hij daartoe opdracht aan zijn timmerlieden. Het resultaat is nog steeds te vinden achter de gevel van Nieuwezijds Voorburgwal 86.
De armste 40% van de Amsterdammers woonde in huizen die samen nog geen 10% van de totale huurwaarde vertegenwoordigden, de rijkste 20% in huizen van bij elkaar 60%. De vernieuwing van het huis aan de Nieuwezijds betekende dat de kwaliteit van de ‘woningvoorraad’ iets verbeterde, maar ook dat de huur steeg. Peter Mol en Michiel Oom moesten waarschijnlijk naar goedkopere woonruimte omkijken. Kopen was voor mensen met lagere inkomens, zoals zij, al helemaal geen optie. In Holland was de economische ongelijkheid het grootst in Amsterdam, waar tegelijkertijd de gemiddelde huren en huizenprijzen het hoogst waren, en dus ook een goedkopere woning meer kostte dan elders. Voor Amsterdammers van nu een maar al te herkenbaar beeld…
Dat verschil lijkt nog steeds te beinvloeden hoe mensen verschillende typen woningen ervaren. Ook in steden (en laat staan buiten de stedelijke gebieden waar tweekappers voor veel gezinnen een relatief toegankelijke instap in de koopmarkt vormden met de bouw van rond ±1970) met een traditie van gezinswoningen voelt een appartement mogelijk voor sommigen nog altijd als een “second best” optie en misschien zelfs als een soort “falen” door het beeld dat men heeft van wonen, mede door hoe men zelf is opgegroeid in het verleden. Binnen onze landsgrenzen geldt dat alleen in Amsterdam een meergezinswoning al eeuwen als heel normaal wordt ervaren.
Waarschijnlijk helpt het dan ook niet dat wonen in Amsterdam eigenlijk dus altijd al heel duur was. Waar in andere regio's grotere woningen toch voor een aardig deel bewoond worden door mensen die het alleen kunnen betalen omdat ze er al lang verblijven. In Amsterdam zal men deels door de erfpacht ook minder kunnen leunen op "eenmaal gekocht blijf je er wonen".