In economisch opzicht zijn hogere energieprijzen dempend of zelfs krimpend voor economische groei, energie is namelijk de belangrijkste input voor de economie. Zonder energie is er geen economie, immers zonder energie kunnen dan we nauwelijks iets maken, transporteren en gebruiken.
Hogere energieprijzen vernietigen welvaart en zorgt voor een substitutie effect in de economie of zelfs het compleet wegvallen van de vraag. Of je nu 1.50 of 3.00 euro betaald voor een liter benzine, je krijgt er dezelfde hoeveel energie voor terug, maar het kost alleen meer. Terwijl die 3 euro wel ten koste gaat van het besteedbaar inkomen.
Je ziet hierdoor dat hogere energieprijzen bovengemiddeld de lagere inkomens hard raken, die komen direct in aanraking met het substitutie effect of het wegvallen van de vraag. Arbeid kan opeens steeds minder gaan lonen omdat de kosten hogere zijn dan de opbrengsten. Mensen kunnen gedwongen worden tot demand destruction, waardoor je een golf effect krijgt door de hele economie.
D.w.z. als mensen steeds minder kopen, dan leidt tot ook tot krimp van andere sectoren in de economie. Hier zie je de ideologische keuze terug komen in de politiek van vraag of aanbodzijde economische denken. De aanbodzijde economische school (Chicago school supply side economics) gaat er vanuit dat als een grotere aanbod is, dit tevens zorgt voor meer economische groei. Terwijl vraagzijde economische denken er vanuit gaat dat je juist vraag moet stimuleren voor economische groei (Keynesiaanse school). Je zag door de decennia heen de invloed van de Chicago school op andere/nieuwe economische en politieke scholen zoals het neoliberalisme/derde weg sociaal democratie en fiscaal conservatisme.
Zulke economische en politieke denkwijzen beïnvloeden direct en indirect het beleid van politici als het gaat om economische vraagstukken tijdens crisis. Een van de opvallendste verschillen was die van de VS en EU tijdens de financiële crisis van 2008. De EU koos ervoor om de crisis te absorberen met bezuinigingen en krimpen van overheidsbudgetten met z.g.n. begrotingsdiscipline, de gevolgen van de crisis werden grotendeels neergelegd door overheid en burgers. De VS ging juist Keynesiaans te werk en stimuleerde de economie.
Zie ook:
Why has Europe's economy done worse than the US? (2014)
How are we to explain these differences? The United States was, after all, the epicenter of the world financial crisis and recession in 2008. But US policy-makers responded to the recession with different policies. Most important was monetary policy: the Federal Reserve lowered short-term interest rates to about zero in 2008 and has kept them there since.
After some stimulus in both areas, the eurozone governments also engaged in more and earlier budget tightening than the United States did; and the International Monetary Fund (IMF) has shown a clear relationship (Figure 6) between this fiscal tightening and reduced GDP growth.
Nu is uiteraard een bankencrisis iets totaal anders dan een energiecrisis, maar dit dient wel als voorbeeld dat verschillend beleid kan zorgen voor fundamenteel andere uitkomsten.
Een energiecrisis moet je imho gebruiken om demand destruction en vernietiging van welvaart om te buigen naar investeringen in alternatieve energiesoorten. Subsidieer bijvoorbeeld zo min mogelijke fossiele brandstoffen, maar zorg dat er meer geld gaat naar investeringen in duurzame energie en kernenergie. Dat zijn investeringen die ook toekomstige return-on-investment hebben in de lokale economie, terwijl fossielenbrandstoffen inkomsten veelal naar buitenlandse partijen verdwijnen.
"When I am weaker than you I ask you for freedom because that is according to your principles; when I am stronger than you I take away your freedom because that is according to my principles"- Frank Herbert