Verwijderd schreef op donderdag 09 december 2004 @ 01:18:
Vader en zoon?
1. Een vader heeft twee kinderen. Hij heeft minstens één zoontje. Wat is de kans dat hij ook een dochtertje heeft?
2. Een vader heeft twee kinderen. Je ziet hem lopen met één van zijn kinderen, een jongetje. Wat is de kans dat het andere kind een dochtertje is?
Het verschil tussen deze twee vragen is ogenschijnlijk heel klein. De antwoorden zijn echter verschillend: 2/3 en 1/2!
======================================================
heeft niet veel met vraag 16 te maken, maar ter overdenking
bron:
http://www.kennislink.nl/...vensterid=811&prev=108353
Naar mate ik er meer over nadenk hebben deze vragen alles met vraag 16 te maken. Stom van me dat ik dat niet meteen zag.
Ik zal uitleggen wat de officiele benadering is om aan 2/3 en 1/2 te komen.
1. Een vader heeft twee kinderen. Hij heeft minstens één zoontje. Wat is de kans dat hij ook een dochtertje heeft?
Hij heeft 2 kinderen, die in 4 combinaties kunnen voorkomen (dz,zd,dd en zz)
Hij heeft of 1 of 2 jongens (minstens 1, dus 2 kan ook, 0 kan niet) , dus de kans dat dd zich voordoet kun je wegstrepen.
Je houdt 3 opties over, in 2 daarvan komt één meisje voor en één jongetje (voldoet aan het gestelde) en in een geval komer er 2 jongetjes voor (voldoet ook ) dus kans 2/3
of Bayes:
P(D|M1Z)= kans op een dochter ALS er al minimaal 1 zoon is
P(D en M1Z) = de deelverzameling van mogelijkheden wanneer er 1 meisje en minimaal 1 jongen aanwezig is (dus de combinatie van zd en dz) = 1/2
P(M1Z) = de kans op minimaal 1 zoon = 3/4 (zd , dz en zz dus 3 vd 4 mogelijkheden)
P(D|M1Z)=( P(D en M1Z) ) / P(M1Z) = (1/2) / (3/4) = 2/3
Het betreft hier een voorwaardelijke kans want er geld
P(D|M1Z) is niet ( P(D en M1Z) ) * P(M1Z)
2. Een vader heeft twee kinderen. Je ziet hem lopen met één van zijn kinderen, een jongetje. Wat is de kans dat het andere kind een dochtertje is?
Logica: het één heeft niets met het ander te maken (eigenlijk staat er: wat is de kans dat je met de 2e dobbelsteen 6 gooit als blijkt dat je met de eerste 6 gegooid hebt), 1/2 dus
Of
Hij heeft 2 kinderen, die in 4 combinaties kunnen voorkomen (zd,dz,dd en zz)
Hij heeft in ieder geval 1 jongen (2 kan ook, 0 kan niet)
dd: zal niet kunnen 0.25*0=0
zd: 0.25 * 0.5 = 0.125
dz: 0.25 * 0.5= 0.125
zz: 0.25*1=0.25
Alle kans opgeteld geeft ook 0,5
of bayes:
P(D|Z)= kans op een meisje bij iemand met 2 kinderen die al een zoontje heeft
P (Z) = de kans dat iemand met 2 kinderen die al een zoontje heeft een zoontje heeft=1
P (D en J) = de kans dat iemand met 2 kinderen een jongen en een meisje heeft (2 van de vier mogelijkheden voldoen hieraan) =1/2
P(D|Z)= (P (D en J)) / (P (Z)) = 0,5 / 1 = 0,5
Het betreft hier een onvoorwaardelijke kans het geen blijkt uit
P(D|Z)= P (D en J) * (P (Z))
0.5 = 0.5 x 1
Enkele berichten eerder vergeleek iemand vraag 2 met vraag 16. Dat is de facto niet juist. Vraag 1 IS vraag 16. Ik heb hier bewezen dat vraag 1 een voorwaardelijke kans is en vraag 2 niet.
Ik neem toch aan dat iedereen snapt dat vraag 16 ook om voorwaardelijke kansen gaat?
Het antwoord moet dus 2/3 zijn