Verwijderd schreef op 30 december 2002 @ 07:47:
En hieronder quote ik uit de brochure "Moet u geloof stellen in de Driëenheid?" de officiële argumentatie van Jehovah's Getuigen dat Jezus (de zoon) niet dezelfde is als God (JHVH, de Vader):
Interessant.
Uit de brochure ademt de sfeer van 'Die christenen zien God en de Heilige Geest en Jezus Christus, als drie aparte wezens'. Maar dat is natuurlijk niet zo. Wij hebben dezelfde Bijbel als jullie, wellicht een andere vertaling, met dezelfde grondtekst en met 'dezelfde' bijbelgeleerden.
Wij spreken ook niet over 3 x 1 wezen oid, maar meer 1 x 1 x 1 = 1.
Net als een mens een lichaam heeft, een ziel (een 'ik') en een geest, is het ook bijbels om te zeggen dat God Jezus als Lichaam heeft, God als 'ziel', als oerbron oid, en de Heilige Geest als 'geest'.
Ik probeer het een beetje in mijn eigen taal uit te leggen, excuses voor de wat simpele benadering. Ik weet niet of je wel mag spreken van een 'ziel' van God enz.
Als ik ook even mag quoten, dan doe ik dat graag uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis van Guide de Bres:
Volgens deze waarheid en dit Woord van God geloven wij in één God (1), die een geheel enig wezen is, waarin drie Personen zijn, namelijk de Vader, de Zoon en de Heilige Geest (2). Deze zijn werkelijk en van eeuwigheid onderscheiden naar hun onmededeelbare eigenschappen.
De Vader is de oorzaak, de oorsprong en het begin van alle zichtbare en onzichtbare dingen (3). De Zoon is het Woord, de wijsheid en het beeld van de Vader (4). De Heilige Geest is de eeuwige kracht en macht, die uitgaat van de Vader en van de Zoon (5).
Uit dit onderscheid volgt echter niet dat God in drieën gedeeld is. Want de Heilige Schrift leert ons dat de Vader en de Zoon en de Heilige Geest wel ieder hun eigen zelfstandigheid hebben, onderscheiden door haar eigenschappen, maar toch zo, dat deze drie Personen slechts één God zijn. Het is dus duidelijk dat de Vader niet de Zoon is en dat de Zoon niet de Vader is; dat eveneens de Heilige Geest niet de Vader of de Zoon is.
Toch zijn deze Personen, aldus onderscheiden, niet gedeeld of onderling vermengd. Want de Vader heeft ons vlees en bloed niet aangenomen en ook de Heilige Geest niet, maar alleen de Zoon. De Vader is nooit zonder de Zoon (6) en nooit zonder zijn Heilige Geest geweest, want Zij zijn alle drie even eeuwig in eenzelfde wezen. Er is geen eerste of laatste, want Zij zijn alle drie één in waarheid, in macht, in goedheid en barmhartigheid.
(1) 1Kor. 8 : 4-6.
(2) Matt. 3 : 16, 17; Matt. 28 : 19.
(3) Ef. 3 : 14, 15.
(4) Spr. 8 : 22-31; Joh. 1 : 14; Joh. 5 : 17-26; 1Kor. 1 : 24; Kol. 1 : 15-20; Hebr. 1 : 3; Openb. 19 : 13.
(5) Joh. 15 : 26.
(6) Micha 5 : 1; Joh. 1 : 1, 2.
1) Nochtans hebben wij maar een God, den Vader, uit Welken alle dingen zijn, en wij tot Hem; en maar een Heere, Jezus Christus, door Welken alle dingen zijn, en wij door Hem.
2a) En Jezus, gedoopt zijnde, is terstond opgeklommen uit het water; en ziet, de hemelen werden Hem geopend, en hij zag den Geest Gods nederdalen, gelijk een duive, en op Hem komen.
2b) Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.
3) Om deze oorzaak buig ik mijn knieen tot den Vader van onzen Heere Jezus Christus, Uit Welken al het geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt.
4a) De HEERE bezat Mij in het beginsel Zijns wegs, voor Zijn werken, van toen aan. Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest; van den aanvang, van de oudheden der aarde aan. Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geen fonteinen waren, zwaar van water; Aleer de bergen ingevest waren, voor de heuvelen was Ik geboren. Hij had de aarde nog niet gemaakt, noch de velden, noch de aanvang van de stofjes der wereld. Toen Hij de hemelen bereidde, was Ik daar; toen Hij een cirkel over het vlakke des afgronds beschreef; Toen Hij de opperwolken van boven vestigde; toen Hij de fonteinen des afgronds vastmaakte; Toen Hij der zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten der aarde stelde; Toen was Ik een voedsterling bij Hem, en Ik was dagelijks Zijn vermakingen, te aller tijd voor Zijn aangezicht spelende; Spelende in de wereld Zijns aardrijks, en Mijn vermakingen zijn met de mensenkinderen.
4b) En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid.
4c) En Jezus antwoordde hun: Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk ook. Daarom zochten dan de Joden te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen den sabbat brak, maar ook zeide, dat God Zijn eigen Vader was, Zichzelven Gode evengelijk makende. Jezus dan antwoordde en zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De Zoon kan niets van Zichzelven doen, tenzij Hij den Vader dat ziet doen; want zo wat Die doet, hetzelve doet ook de Zoon desgelijks. Enzovoorts
4d) Maar hun, die geroepen zijn, beiden Joden en Grieken, prediken wij Christus, de kracht Gods, en de wijsheid Gods.
4e) Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; En Hij is voor alle dingen, en alle dingen bestaan te zamen door Hem;
4f) Dewelke, alzo Hij is het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord Zijner kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechter hand der Majesteit in de hoogste hemelen;
4g) En Hij was bekleed met een kleed, dat met bloed geverfd was; en Zijn naam wordt genoemd het Woord Gods.
5) Maar wanneer de Trooster zal gekomen zijn, Dien Ik u zenden zal van den Vader, namelijk de Geest der waarheid, Die van den Vader uitgaat, Die zal van Mij getuigen.
6a) En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israel, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.
6b) In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God.
De godheid van Jezus Christus
Wij geloven dat Jezus Christus naar zijn goddelijke natuur de eniggeboren Zoon van God is (1), van eeuwigheid voortgebracht. Hij is niet gemaakt of geschapen — want dan zou Hij een schepsel zijn — maar één van wezen met de Vader, mede-eeuwig, Hem in alles gelijk (2). De Schrift noemt Hem: de afstraling van zijn heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen (Hebr. 1 : 3).
Hij is Gods Zoon, niet alleen sinds Hij onze natuur heeft aangenomen, maar van alle eeuwigheid (3). De volgende getuigenissen leren ons dat, wanneer wij ze met elkaar vergelijken.
Mozes zegt dat God de wereld heeft geschapen (4), en de apostel Johannes zegt dat alle dingen zijn geschapen door het Woord, dat hij God noemt (5). De apostel zegt dat God de wereld door zijn Zoon geschapen heeft6 en eveneens dat God alle dingen door Jezus Christus geschapen heeft (7). Daarom moet Hij die genoemd wordt God, het Woord, de Zoon en Jezus Christus, er reeds geweest zijn, toen alle dingen door Hem geschapen werden. De profeet Micha zegt dan ook: Zijn oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid (Micha 5 : 1). En de brief aan de Hebreeën: Hij is zonder begin van dagen of einde van leven (Hebr. 7 : 3).
Zo is Hij dan de ware, eeuwige God, die Almachtige die wij aanroepen, aanbidden en dienen.
(1) Matt. 17 : 5; Joh. 1 : 14, 18; Joh. 3 : 16; Joh. 14 : 1-14; Joh. 20 : 17, 31; Rom. 1 : 4; Gal. 4 : 4; Hebr. 1 : 1; 1Joh. 5 : 5, 9-12.
(2) Joh. 5 : 18, 23; Joh. 10 : 30; Joh. 14 : 9; Joh. 20 : 28; Rom. 9 : 5; Filip. 2 : 6; Kol. 1 : 15; Tit. 2 : 13; Hebr. 1 : 3; Openb. 5 : 13.
(3) Joh. 8 : 58; Joh. 17 : 5; Hebr. 13 : 8.
(4) Gen. 1 : 1.
(5) Joh. 1 : 1-3.
(6) Hebr. 1 : 2.
(7) 1Kor. 8 : 6; Kol. 1 : 16.
Daarbij moet opgemerkt worden, dat de leer van de drie-eenheid niet uit de lucht komt vallen. Men heeft hem nergens anders voor nodig dan om de Bijbel uit te leggen. De bijbelteksten kunnen mi. zonder verdere uitleg gebruikt worden om dit te bewijzen. Als Jezus het zo vaak over Zijn Vader heeft, dan moeten we het daarmee doen.
De stelling van Jezus als God hebben we
wel nodig in ons leven. Dat is van levensbelang. Zonder Zijn Godheid zouden wij niet behouden kunnen worden. Alleen God kan ons verlossen uit het lichaam dezes doods. Hij is de Borg en Middelaar. Hij is voor onze zonden aan het kruis gestorven. Wij moeten in Hem geloven, niet alleen als mens, maar ook als God.