In voorgaande posts heb ik de grenzen van de wetenschap zichtbaar gemaakt. Ik hoop dat duidelijk is dat er geen empirisch bewijs is dat doorslaggevend is, net zo min als dat empirisch bewijs zaligmakend is. En nu dat uit de weg is geruimd kan ik toekomen aan het proberen te bewijzen van God op een manier die niet direct met gevoel te maken heeft. Zoals gezegd bestaat er geen empirisch bewijs voor God en ook niet tegen hem. De beweringen van wetenschappers die God ontkennen zijn net zo min gestoeld op empirisch bewijs.
Laten we eens kijken naar een aantal andere manieren om God prima facie te behandelen. Dit betekent dat iets waar is indien er voldoende bewijs is om een punt aannemelijk te maken en waar blijft zolang zij niet weerlegd wordt door ander bewijs. Ik wil daarom bewijs aandragen om God prima facie aannemelijk te maken. Er volgt een aantal argumenten die misschien niet bewijzen dat God bestaat, maar wel moeten bewijzen dat het tegenovergestelde dat men in ieder geval postuleert net zo goed een geloof is dat niet gesubstantieerd kan worden. De conclusie gaat hier verder op in.
Ik wil de argumenten niet presenteren als waarheden, daar zijn het tenslotte slechts argumenten voor. Ik hoop alleen dat ik met deze argumenten zichtbaar kan maken dat gelovigen niet helemaal op hun achterhoofd gevallen zijn en dat ook gelovigen hun geloof rationeel kunnen verdedigen. Maar meer belangrijk is dat ik hoop dat aan het einde blijkt dat diverse wetenschappelijke theorieen die God overbodig trachten te maken net zo gebouwd zijn op los zand.
Het Cosmologisch argument
Het cosmologische argument addresseert de vraag waarom het universum hier is. Het universum bestaat en is echt. Indien een entiteit niet zichzelf kan verklaren, vereist het een oorzaak die dat wel kan. Een auto kan niet zelf verklaren waarom hij bestaat. Het universum kan dat evenmin, en vereist dus een oorzaak buiten zichzelf die dat wel kan. Logica dicteert dat als iets bestaat, het een voorgaande oorzaak moet hebben (Sproul, 1994, p. 172). De vraag is dus ‘wat veroorzaakte het universum?’.
Hier komt de wet van causaliteit om de hoek kijken. Zij stelt dat al het materiele een voorgaande oorzaak vereist omdat materie niet zichzelf kan verklaren. Effecten zonder oorzaken zijn onbekend, oorzaken zonder effecten ook. Spreken over een effect zonder gevolg, of een gevolg zonder effect is betekenisloos. De wet van causaliteit stelt ook dat het effect nooit kwalitatief superieur of kwantitatief groter kan zijn dan het gevolg. Bovendien moet een oorzaak vooraf gaan aan een gevolg. Ik struikel niet omdat ik val. Dit staat hier niet voordat ik dit schrijf. Zo komen we terug bij de vraag: ‘wat veroorzaakte het universum?’.
Er zijn drie manieren om deze vraag te beantwoorden: (1) het universum is oneindig en heeft altijd bestaan en zal altijd bestaan; (2) het universum is niet oneindig maar is uit niets ontstaan; (3) het universum is niet oneindig en is niet uit niets ontstaan maar is gemaakt door iets of iemand die superieur en voorafgaand is aan het universum.
Is het universum oneindig
De meest comfortabele positie voor iemand die niet gelooft in God is het idee dat het universum altijd heeft bestaan. Hiermee vermijd men het probleem dat er een oorzaak aangewezen moet worden, en dus de noodzaak voor een ‘eerste oorzaak’ zoals God. Lange tijd is er een theorie geweest die hiervan uitging, de steady state theorie (Gold, Bondi & Hoyle). Men ontdekte op een gegeven moment dat het universum lijkt uit te dijen. De theorie werd aangepast en zogenaamde ‘irtrons’ werden geintroduceerd. Dit waren plaatsen in het universum waaruit spontaan waterstof atomen ontstonden. Deze theorie was echter gedoemd te falen omdat het de meest fundamentele wetten van de wetenschap, de eerste en de tweede wet van de thermodynamica, overschreed.
De eerste wet van de thermodynamica zegt dat energie en materie (een vorm van energie) niet zomaar kunnen ontstaan. Materie kan omgezet worden in energie, en energie in materia, maar de totale hoeveelheid moet gelijk blijven. De tweede wet van de thermodynamica vereist dat ieder proces energie vereist bij de uitvoering, waarbij energie getransformeerd wordt van een bruikbare vorm naar een niet-bruikbare vorm. Het universum zou bij bovenstaande theorie dus langzaam uit moeten draaien omdat er steeds minder energie beschikbaar is. En als het universum uitdraait, moet het ook een keer opgewonden zijn. Astronoom Dr. Jastrow (1977) schreef (vet zelf toegevoegd):
Only as a result of the most recent discoveries can we say with a fair degree of confidence that the world has not existed forever;... The lingering decline predicted by astronomers for the end of the world differs from the explosive conditions they have calculated for its birth, but the impact is the same; modern science denies an eternal existence to the Universe, either in the past or in the future (1977, pp. 19,30, emp. added).
De stelling dat het universum oneindig is is dus onhoudbaar. De tweede wet van de thermodynamica vereist dat het universum een begin had (Morris, 1974).
Ontstond het universum uit niets?
Vroeger was het feitelijk onmogelijk iemand te vinden die wilde pleiten voor het zomaar ontstaan van het universum. Een prominente fysicus uit de vorige generatie, George Davis, was daar duidelijk over ‘No material thing can create itself’. Deze uitspraak kan niet logisch bestreden worden op basis van de kennis die we bezitten (Davis, 1958).
De eerste zet in de richting van een universum dat zichzelf geschapen heeft kwam in 1984, toen in Scientific American een artikel van Guth en Steinhardt (1984, p. 128) genaamd ‘the inflationary universe’ werd gepubliceerd. Zij schreven (nadruk zelf toegevoegd:
From a historical point of view, probably the most revolutionary aspect of the inflationary model is the notion that all the matter and energy in the observable universe may have emerged from almost nothing.... The inflationary model of the universe provides a possible mechanism by which the observed universe could have evolved from an infinitesimal region. It is then tempting to go one step further and speculate that the entire Universe evolved from literally nothing
Deze ideeen leidden tot grote controverse binnen de wetenschappelijke gemeenschap en leidde tot veel verhitte debatten. Dit kwam tot een hoogtepunt toen Ralph Estling in 1994 een artikel publiceerde in de Skeptical Inquirer waarin hij het volgende schreef:
The problem emerges in science when scientists leave the realm of science and enter that of philosophy and metaphysics, too often grandiose names for mere personal opinion, untrammeled by empirical evidence or logical analysis, and wearing the mask of deep wisdom. And so they conjure us an entire Cosmos, or myriads of cosmoses, suddenly, inexplicably, causelessly leaping into being out of—out of Nothing Whatsoever, for no reason at all, and thereafter expanding faster than light into more Nothing Whatsoever.... They then intone equations and other ritual mathematical formulae and look upon it and pronounce it good. I do not think that what these cosmologists, these quantum theorists, these universe-makers, are doing is science. I can’t help feeling that universes are notoriously disinclined to spring into being, ready-made, out of nothing
Een grote hoeveelheid brieven en reacties volgden. In 1995 werd het debat door Estling afgesloten met de uitspraak ‘All things begin with speculation, science not excluded. But if no empirical evidence is eventually forthcoming, or can be forthcoming, all speculation is barren.... There is no evidence, so far, that the entire universe, observable and unobservable, emerged from a state of absolute Nothingness’ en verklaarde alle theorieen die de verklaring in die richting zochten niet voor waar aangenomen mogen worden omdat zij niet empirisch bewezen kunnen worden.
Wederom is het zomaar ontstaan van materie in het universum een overschrijding van de eerste wet van de thermodynamica. Zeggen dat het universum zichzelf creeerde is een tegenstrijdige bewering. Wil het universum zomaar kunnen ontstaan, dan moet het voldoende causaal vermogen hebben zichzelf te scheppen. Indien het zijn vermogen om dat te doen ontvangt uit een andere bron is het niet langer zelf-geschapen maar een effect. En het probleem wordt nog gecompliceerder als we erbij stilstaan dat het universum de causale kracht moet hebben te bestaan voordat het bestond. Het moet het vermogen hebben die kracht uit te oefenen voordat het bestond.
Wetenschap is gebaseerd op observatie en reproductie, maar dat alles ontbreekt hier. Zoals Guth zelf ook zegt ‘In the end, I must admit that questions of plausibility are not logically determinable and depend somewhat on intuition’. Hawking was duidelijk terwijl hij schreef “
The new inflationary model is now dead as a scientific theory, although a lot of people do not seem to have heard of its demise and are still writing papers on it as if it were viable” (1988, p. 132, nadruk zelf toegevoegd).
Was het universum geschapen?
Het universum heeft een begin, of hetheeft geen begin. Het aanwezige bewijs zegt dat het universum een begin moet hebben. Als het universum een begin had, dan het een oorzaak of geen oorzaak. Het is correct, logisch en wetenschappelijk, te zeggen dat universum een oorzaak gehad moet hebben omdat het oorzaak een effect is en daarom een adequaat voorgaand effect moet hebben. Er is niets dat gebeurt zonder een oorzaak.
Het moge duidelijk zijn dat de bewering dat het universum oneindig is niet houdbaar is. Omdat het eveneens moeilijk of zelfs onmogelijk is te verklaren dat het universum zichzelf geschapen heeft is er iets of iemand nodig om dat wel te kunnen. Dit iets moet (a) bestaan hebben voordat het universum bestond en oneindig zijn (b) superieur zijn aan het effect; en (c) van een andere aard zijn dan het universum omdat het eindige universum van materie niet in staat is zichzelf te verklaren (Jackson & Carroll).
Belangrijk is te beseffen dat als er een moment was waarop er niets bestond, er ook niets zou moeten bestaan op dit moment. Het is evidente waarheid dat niets uit niets kan ontstaan. Aangezien er nu wel iets bestaat, volgt daaruit logischerwijs dat er altijd iets moet hebben bestaan (Sproul, 1994). Alles dat bestaat kan geclassificeerd worden als
materie of de
geest. Er is geen derde alternatief. Het theistische argument is dan:
1. alles dat bestaat is of materie of de geest
2. er bestaat op dit moment iets, dus er moet iets oneindig bestaan
3. dat betekent dat materie of de geest oneindig is
A. Materie of de geest is oneindig
B. Materie is niet oneindig, zoals hierboven bewezen
C. De geest moet dus oneindig zijn
Sommige wetenschappers beweren dat de geest niet meer is dan het brein, dat uit materie bestaat. Dit is een niet-bewezen uitspraak die stuit op gigantische filosofische problemen en enkel uitgaat van de aanname dat de geest niet bestaat (zie o.a. Eccles & Popper, 1977; Chalmers, 1994, 1996). Geisler (1976) concludeerde dat er een al-wetende geest moet zijn:
Further, this infinite cause of all that is must be all-knowing. It must be knowing because knowing beings exist. I am a knowing being, and I know it.... But a cause can communicate to its effect only what it has to communicate. If the effect actually possesses some characteristic, then this characteristic is properly attributed to its cause. The cause cannot give what it does not have to give. If my mind or ability to know is received, then there must be Mind or Knower who gave it to me. The intellectual does not arise from the nonintellectual; something cannot arise from nothing
Het universum moet een adequate voorafgaande oorzaak kennen. Iedereen concludeert natuurlijk en comfortabel dat hoog geordende entiteiten (machines, huizen, enz) geschapen zijn. Het is onnatuurlijk te geloven dat ze zomaar ontstaan zijn. De evolutietheorie van het universum vereist dat wij breken met dat wij natuurlijk vinden om te geloven en te geloven in dat wat onnatuurlijk, onredelijk en … ongeloofwaardig is. De basis voor deze eis is niet een geobserveerd feit of een ervaring, maar een onredelijke extrapolatie van abstracte mogelijkheiden, wiskunde en filosofie (Wysong, 1976).
De centrale boodschap van het cosmologische argument is dat de wet van causaliteit evident is in alles wat we doen. Het universum is hier, intelligent leven is hier, moraliteit is hier, liefde is hier. Wat is hun antecedente oorzaak? Aangezien de wet van de causaliteit vereist dat het effect niet groter kan zijn dan de oorzaak, lijkt het redelijk dat de oorzaak van alles ook een levende intelligentie is die zelf moraliteit en liefde kent. Wanneer de bijbel zegt “In het begin, God” maakt het ons zo’n eerste oorzaak kenbaar.
Het teologische argument
Het teologische argument is een ander argument dat gebruikt kan worden om God prima facie redelijk te maken. Het refereert aan doel of design omdat het suggereert dat overal waar sprake is van een design met een doel, een designer aanwezig moet zijn. De deducatie die hier gemaakt wordt is dat orde, planning en design in een systeem een indicatie zijn van intelligentie, doel en een specifieke intentie van de oorzaak. In logische vorm is dit het argument:
1. Als het universum voorbeelden kent van doelmatig design, dan moet er een designer zijn
2. Het universum heeft een doelmatig design
3. Er moet dus een maker, of designer, zijn
Theisten en niet-theisten verschillen niet van mening op het eerste punt. Zelfs de meest geharde atheist kan niet ontkennen dat het universum is van designs die uiterst doelmatig zijn. Het verschil van mening treedt op bij het tweede punt. Niet-theisten vinden de dat er niet genoeg bewijs is dat een grote ontwerper bestaat en hebben daarom een geloof in God verworpen. Zij ontkennen dat er designs bestaan in de natuur die bewijzen dat er een grote ontwerper bestaat. Het gaat er niet om dat design een designer vereist, het gaat om de vraag of er sprake is van design in de natuur dat adequaat is om de conclusie dat er een grote ontwerper bestaat te substantieren. En dat is het doel van het teologische argument.
Ons universum opereert in overeenstemming met een exacte set wetten. De precisie van het universum stelt in ons staat om tot in grote nauwkeurigheid bepaalde zaken te berekenen. We kunnen precies voorspellen hoe lang het duurt voordat de aarde rond de zin is, voordat een raket op mars is, voordat een maan- of zonsverduistering optreed. Dit wordt mogelijk gemaakt door de orthodoxe mathematische aard van het universum die mensen als Einstein in staat stelt om natuurwetten te voorspellen en te formuleren – enkel op basis van wiskunde.
Deze precisie, de complexiteit en de ordelijkheid is niet het punt van discussie – daarover zijn de partijen het eens. Waar atheisten echter complexiteit en ordelijkheid accepteren, doen zij hetzelfde niet bij design simpelweg omdat dat betekent dat ze ook moeten erkennen dat er een designer bestaat. Is er bewijs van design? De atheist claimt van niet, maar de theist heeft daar een aantal voorbeelden van.
We leven in een gigantisch universum. Met een geschatte diameter van 587 quadrillioen kilometer kunnen we met recht zeggen dat dat indrukwekkend is. Hetzelfde geldt voor het interne design. De interne temperatuur van de zon wordt geschat op meer dan 20 miljoen graden celsius (Lawton, 1981). De aarde, echter, bevindt zich precies op de juiste afstand van de zon om leven mogelijk te maken.
De aarde roteert om zijn as met een snelheid van 1000 mijl per uur and beweegt om de zon met een snelheid van meer dan 70.000 mijl per uur terwijl de zon en haar planeten weer met een snelheid van 600.000 mijl per uur door het heelal schieten. De baan van de aarde om de zon buigt 1/8 iedere 18 mijl. Als dat 1/9 was zouden we verbranden, en als het 1/10 was zouden we zover van de zon raken dat we zouden bevriezen. De afstand tussen de aarde en de man is 240.000. Als dat een vijfde minder was geweest waren de gravitatiekrachten zo sterk dat de contintenten bij vloed vrijwel geheel overspoeld zouden worden. Als de rotatie van de aarde gehalveerd of verdubbel zou worden, zouden seizoenen of te lang of te kort worden. Lange seizoenen zouden het groeien van gewassen door de grote langdurige hitte en kou onmogelijk maken, terwijl korte seizoenen te kort zouden duren om voldoende eten te kunnen vergaren. De aarde is gekanteld op zijn as bij een hoek van 23.5 graden. Als dat 0 was, zou het water op de aarde cummuleren op de poolkappen en woestijnen achter laten. Als de atmosfeer minder dik zou zijn, zouden kometen en meteoren gemakkelijker binnendringen en grotere schade achterlaten.
De oceanen bieden een enorm reservoir aan vocht dat constant verdampt en condenseert, waardoor het op land neerleggend als regen. Het is wel bekend dat water langzamer afkoelt of verhit dan aarde, wat verklaart waarom woestijnen overdag snikheet en ‘s nachts ijskoud zijn. Water, echter, houd zijn temperatuur langer en biedt daarmee een soort natuurlijke verwarming/air-conditionering voor de landmassa’s. Mensen en dieren ademen zuurstof in, en koolstofdioxide uit. Planten doen het tegenovergestelde. We hebben de planten nodig om te overleven, maar vergeten dat 90% van de zuurstof afkomstig is van algen die leven in de zeeen (Asimov, 1975). Als onze oceanen kleiner zouden zijn, dan zouden we al snel geen zuurstof meer hebben omdat de balans verstoord is. Sta eens stil bij de kans dat de exact juiste hoeveelheid aarde en water samenklontert bij het ontstaan van de aarde.
Gribbin (1983) schreef een boek waarin hij een enorme hoeveelheid aan toevalstreffers opnam. Het boek noemde hij toepasselijk ‘Earth’s lucky break’. Alsof alle ordelijkheid en het design van het universum verklaard kunnen worden door een kosmische dobbelsteenrol. Fred Hoyle (1981b) heeft de kans dat dit bij kans gebeurt vergeleken met ‘de kans dat een tornado die door een hangar met losse vliegtuig onderdelen waait per ongeluk een boeing 747 produceert’. Hoyle trok de volgende conclusie:
Once we see, however, that the probability of life originating at random is so utterly miniscule as to make the random concept absurd, it becomes sensible to think that the favourable properties of physics on which life depends, are in every respect deliberate.... It is therefore almost inevitable that our own measure of intelligence must reflect in a valid way the higher intelligences...even to the extreme idealized limit of God
Dezelfde conclusies kunnen we trekken als we naar het lichaam gaan kijken. Net als het universum is ons lichaam een hoogtepunt van doelmatig design. DNA is daarbij het beste voorbeeld. Thaxton, Bradley & Olsen (1984):
We know that in numerous cases certain effects always have intelligent causes, such as dictionaries, sculptures, machines and paintings. We reason by analogy that similar effects have intelligent causes. For example, after looking up to see “BUY FORD” spelled out in smoke across the sky we infer the presence of a skywriter even if heard or saw no airplane. We would similarly conclude the presence of intelligent activity were we to come upon an elephant-shaped topiary in a cedar forest.
In like manner an intelligible communication via radio signal from some distant galaxy would be widely hailed as evidence of an intelligent source. Why then doesn’t the message sequence on the DNA molecule also constitute prima facie evidence for an intelligent source? After all, DNA information is not just analogous to a message sequence such as Morse code, it is such a message sequence....
We believe that if this question is considered, it will be seen that most often it is answered in the negative simply because it is thought to be inappropriate to bring a Creator into science
Ricci (1986) concludeert dat ‘alhoewel velen moeite hebben de grote mate van ordelijkheid en complexiteit van het menselijk lichaam te begrijpen, is er geen reden aan te nemen dat er sprake is van een duidelijke ontwerper’. Hoe de laatste conclusie getrokken is, is mij een raadsel. De hele wereld laat zien dat je geen gedicht krijgt zonder een dichter, geen schilderij zonder schilder, geen boek zonder schrijver, geen auto zonder monteur, geen muziek zonder componist. Maar de mens, en het universum waarin zij leeft, is slechts het gevolg van puur toeval. Wat voelt logischer? Dat het allemaal zomaar bij elkaar gekomen is, of dat we hier de sporen zien van de hand van een designer.
Het antropologische argument
Moraliteit wordt gedefinieerd als het opereren in overeenstemming met principen en standaarden, terwijl ethiek het systeem is dat beschrijft wel gedrag goed of fout is. Beiden impliceren dat er een onderscheid bestaat tussen goed en kwaad en dat de mens dat kan beseffen. Goed en kwaad zijn concepten die irrelevant zijn in de natuur behalve vanuit het menselijke perspectief, maar worden desalniettemin echte en belangrijke eigenschappen van de gehele kosmos (Gaylord, 1951). Er zijn twee manieren waarop moraliteit en ethiek tot stand kunnen komen: (1) theocentrisch, er is externe bron van goedheid – God genaamd (2) antropocentrisch, ethiek en moraliteit zijn net als de mens ontstaan als resultaat van niet-levende krachten.
De kernvraag is hoe het kan dat mensen weten wanneer iets goed of fout is. De regels die de mens in de loop der eeuwen heeft geformuleerd hebben niet geleid tot dit gevoel, maar juist andersom. Er is geen mens op aarde die zinloos moorden goedkeurt. Er is geen mens op aarde die het goed vind dat het martelen van kleine kinderen goedvindt. Er is geen mens op aarde die extreem kwaad dat tegen hem of zijn familie gericht is goedkeurt. Deze wetten zijn zo universeel (hoogstens met enige uitzonderingen bij psychopaten) dat het voor een atheist moeilijk is ze te verklaren.
De atheist moet zijn verklaring namelijk zoeken in een bron anders dan God (of een algemene universele moraliteit), en moet dus verklaren hoe moraliteit kan ontstaan uit ruwe materie. Het eerste probleem met deze theorie is dat hogere wezens niet ook besef hebben van moraliteit zoals de mens dat heeft en zij aanneemt dat mensen schijnbaar het vermogen hebben gekregen om morele waarheden te ontdekken. Waarom zou dat zo zijn? Het tweede probleem is dat ruwe materie niet in staat is om moreel bewustzijn te laten evolueren. Simpson (1951) concludeerde dat zelf ook: “Discovery that the universe apart from man or before his coming lacks and lacked any purpose or plan has the inevitable corollary that the workings of the universe cannot provide any automatic, universal, eternal, or absolute ethical criteria of right and wrong.” Atheisten moeten concluderen dat moraliteit en ethiek niet bestaan en dat zij, op hun best, relatief en situationeel zijn. Indien zo, dan moeten er net zoveel morele en ethische regels zijn als er mensen zijn. Het doel van het antropologische argument is om aan te tonen dat moraliteit universeel is, en daarom het bestaan van een schepper afdwingen.
Hedonisme
Hedonisme is de filosofie die stelt dat iets moreel verantwoord is als het leidr tot het grootste plezier met de minst mogelijke pijn Simpel gezegd; plezier over pijn. Sommige psychologen beweren dat mensen enkel dit kunnen. Maar als dat zo is, hoe kunnen de acties van een persoon dan uberhaupt als “moreel verantwoord” gezien worden? Een man kan moeilijk een moreel wezen zijn als hij niet kan helpen wat hij doet.
Hedonisme heeft een paar grotere haken en ogen. De eerste is dat de vraag wat er moet gebeuren als men voor het nastreven van het eigen genot anderen pijn moet doen. Met andere woorden; wat als ik mijzelf immoreel moet gedragen om mijn eigen moraliteit uit te oefenen? Wat in hedonisme motiveert een persoon om zijn eigen plezier te laten staan voor anderen. Niets! Wij voelen dat de persoon die plezier brengt aan anderen maar pijn aan zichzelf een beter mens dan iemand die zichzelf plezier en anderen pijn brengt. Deze conclusie leidde Bertrand Russell (1969) ertoe te concluderen dat er geen enkele rationele visie is die dit kan verklaren. De enige verklaring die hij ziet is dat “an ethical opinion can only be defended by an ethical axiom, but, if the axiom is not accepted, there is no way of reaching a rational conclusion”
En wat als een persoon een egoistisch hedonisme aanhangt en geen interesse toont voor anderen, maar enkel voor zijn eigen genot? Dit leidt geheid tot de reactie van een passant dat dat egoistisch is. Wat is er dan mis met egoisme?
Utilitarisme
Deze variant van hedonisme zegt dat dat wat goed is plezier levert aan de meerderheid. Ook deze benaderen heeft een aantal problemen. Waarom zou een man het plezier van de meerderheid nastreven als dat indruist tegen zijn eigen plezier? Bovendien levert deze benadering geheel geen richtlijn om aan te geven wat ‘plezier’ van de meerderheid nu eigenlijk is.
Het grootste probleem is echter dat niet aangegeven kan worden waarom het verkeerd is geen rekening te houden met het belang van anderen. Ook hier zien Russell (Tait, 1975) terugkeren die verslag doet van een conversatie met zijn jonge dochter. Russell vraagt iets van zijn dochter, die meteen reageert ‘dat wil ik niet! Waarom zou ik!’. Russell zei dan altijd ‘omdat er dan meer mensen blij zijn dan als je dat niet doet’ waarop de dochter uitriep ‘nou en?, wat maakt mij dat uit!’. Het enige antwoord dat Russell kon geven was ‘maar dat moet je wel doen’. Waarop het antwoord weer ‘Waarom dan!’ is. En inderdaad, niemand wordt door deze logica overtuigd indien men verder kijkt dan het oppervlakkige.
Nihilisme
Nihilisme komt voort uit de notie dat God niet bestaat, en dat dus alles mag. Alles wat men doet is goed, en we kunnen nooit voor iets kiezen dat kwaad is. Als God niet bestaat, gaat alles. Deze dogma is echter tegenstrijdig. De mensen die dit idee propageren hebben het over henzelf. Zij kunnen alles doen, maar dat betekent niet dat het stelen van hun eigendommen, het verkrachten van hun vrouwen en het doorsnijden van de kelen van hen toegestaan is! Zij beseffen dat dat niet kan
Relativisme
Relativisme verwerpt het idee van universele criteria voor waarden en normen. Alle waarde-systemen zijn cultureel bepaald en dus even geldig. Relativisme wordt echter geveld door zijn eigen benadering. Als er een stroming is die zegt dat de ethiek absoluut is, zouden zij dat dan ook aannemen? In sommige culturen wordt infanticide nog steeds gebruikt om populaties in de hand te houden, is dat dan goed? En slavernij? Het misbruik van vrouwen? Waar is de relativist die openlijk en publiekelijk zegt dat die acties moreel verantwoord zijn?
Determinisme
Determinisme ziet de mens als een computer. Als zij waar is, dan is er niet zoiets als menselijke verantwoordelijkheid. Termen als ‘goed’ en ‘fout’ zijn in dit geval volledig betekenisloos. En waarom vervolgen we iemand die niet verantwoordelijk is voor wat hij doet? Spannen we rechtzaken aan tegen een machine die iemand vermoord? En hanteren deterministen hun eigen dogma wel? Als ik de dochter van een determinist neersteek, zal hij dan zeggen dat het allemaal ok is en allemaal kwam door mijn ‘programmering’?
Conclusie
Moraliteit is iets dat kenmerkend is voor onze soort. Het is niet zo dat twee apen ooit samen besproken hebben wat ze wel en niet ethisch vonden. Dat moet iets zeggen over onze natuur, want hoe kunnen ethiek en moraliteit ontstaan uit ruwe materie? De grote filosofen Miethe en Habermas (1993) zijn er duidelijk over:
At every turn in the discussion of moral values, the naturalistic position is weighted down with difficulties. It has the appearance of a drowning swimmer trying to keep its head above water. If it concedes something on the one hand, it is condemned on the other. But if it fails to admit the point, it appears to be in even more trouble. It is an understatement to say, at the very least, that naturalism is not even close to being the best explanation for the existence of our moral conscience
Conclusie
Komen we bij het einde dan zien we drie argumenten die pleiten voor het bestaan van God. In feite komt het er bij ieder argument op neer dat niet-theisten claimen dat iets zomaar ontstaan is, terwijl theisten het tegenovergestelde beweren. De richting waarin men de oplossing zoekt, God of toeval, heeft niets te maken met empirisch bewijs of logica. Het heeft te maken met een voorkeur, een mening, een geloof. En misschien een wens.
Of toeval werkelijk in staat is tot de wonderen die haar toegedicht worden door wetenschappelijke theorieen die God proberen te ontkennen is een vraag en zal dat ook altijd blijven - tenzij iemand het hele proces zelf kan gadeslaan en kan uitsluiten dat er geen enkele externe variabele is geweest die de richting bewust heeft beinvloed. Vooralsnog lijkt mij dat het feit dat de overgrote meerderheid van de wereldbevolking gelooft en het feit dat alle religieuze boeken melding maken van een schepping eerder te wijzen in de richting dat er wel een God is, waarmee God prima facie nog eerder aannemelijk is dan God. Van God weten we tenslotte dat hij het kan, van toeval weten we niets - sommigen hopen enkel dat het in staat is tot het scheppen van wat we kennen. Mensen die niet in God geloven, moeten wel geloven in iets anders dat onwaarschijnlijker is dan God zelf. Het wordt tijd dat zij eens gaan bewijzen waarom wat zij geloven superieur is, want er is geen spatje empirisch bewijs dat toeval in staat is tot wat zij beweren, terwijl dat bij God totaal geen probleem is.
[
Voor 6% gewijzigd door
Christiaan op 17-08-2003 21:13
]