De afgelopen twee jaar heb ik grotendeels doorgebracht op twee vakgroepen aan de universiteit van Wageningen. In dit essay zal ik aan de hand van mijn ervaringen en de gesprekken die ik daar gevoerd heb, betogen dat het Nederlands universitair onderzoek ten dode is opgeschreven door de manier van financieren en, meer algemeen, het algehele gebrek aan voldoende financiering. Tevens zal ik hierbij de toestand van het universitair onderwijs, dat daar onlosmakelijk mee verbonden is, betrekken. Immers, universitair medewerkers hebben een duale taak van onderwijs en onderzoek en studenten zijn de universitair medewerkers van de toekomst, waardoor problemen op het ene vlak onlosmakelijk verbonden zijn met problemen op het andere vlak. Ik zal mij beperken tot de situatie binnen mijn vakgebied, maar de strekking van dit essay kan algemeen worden doorgetrokken naar andere beta-richtingen. Hoe het bij de alfa- en gammarichtingen zit weet ik niet, aangezien het daarbij draait om fundamenteel ander onderzoek waarbij de kosten op een ander vlak liggen en ik niet weet hoe daar de financiering verloopt. Daarom beperk ik mijn betoog tot de beta-sector.
Er zijn in Nederland drie soorten instellingen waar onderzoek wordt bedreven: Bedrijven, onderzoeksinstituten en universiteiten. Het onderzoek wat zij doen, kan in ruwweg twee categorieen opgesplitst worden (die weliswaar deels overlappen maar toch fundamenteel, in hun doelstelling, verschillend zijn): Fundamenteel en toegepast onderzoek. Bedrijven verrichten voornamelijk toegepast onderzoek, onderzoek gericht op directe productontwikkeling, op zaken waar een bedrijf winst op kan maken. Dit onderzoek voert een bedrijf niet altijd zelf uit, vaak wordt het uitbesteed aan andere bedrijven die erin gespecialiseerd zijn, of aan onderzoeksinstituten. Onderzoeksinstituten zijn instellingen die een publieke taak hebben: Zij vervullen niet alleen opdrachten van bedrijven, maar met name ook van de overheid. Denk hierbij aan TNO, DLO, enzovoorts. Naast toegepast onderzoek wordt er aan onderzoeksinstituten fundamenteel onderzoek bedreven in opdracht van anderen. Daarbij is de doelstelling niet zozeer om uit te zoeken hoe een product zo optimaal mogelijk gemaakt kan worden, maar om uit te zoeken hoe iets werkt. Er wordt getracht een eigenschap van de natuur, van de wereld om ons heen, te beschrijven in wetmatigheden. Dit kan uiteindelijk natuurlijk tot toepassing in een product leiden, maar dat is niet het doel. Dergelijk onderzoek is het hoofddoel van de onderzoekspoot van universiteiten. Daarnaast wordt het, zoals gezegd, deels ook bij onderzoeksinstituten uitgevoerd, en deels bij grote bedrijven, vaak multinationals die het zich kunnen veroorloven tijd en geld te steken in onderzoek naar de aard van de natuur om die kennis vervolgens te gebruiken voor productontwikkeling. Maar voor een gemiddeld bedrijf is dat slechts in zeer beperkte mate mogelijk, en zij besteden hun onderzoeksbudget dan over het algemeen aan projecten waarbij er direct uitzicht is op winst, en laten het baanbrekende fundamentele onderzoek over aan universiteiten.
Daarmee is de functie van universiteiten binnen het onderzoek dus vastgelegd: Zij doen de hoofdmoot van het fundamentele onderzoek. Dit is uiteraard niet rendabel, en daarom moeten universiteiten gefinancierd worden. Deze financiering komt grotendeels van de overheid, die daar om twee redenen belang bij heeft. Allereerst is het belangrijk dat fundamenteel onderzoek gedaan wordt: Fundamenteel onderzoek geeft een impuls aan de economische ontwikkeling van de wereld door kennis te bieden waarmee nieuwe technologie ontwikkeld kan worden om maatschappelijke problemen op te lossen. Denk in het geval van beta-wetenschap bijvoorbeeld aan de ontwikkeling van de laser of de microchip die tegenwoordig in talloze toepassingen terug te vinden zijn. Nu is Nederland een klein land en kan fundamenteel onderzoek best in het buitenland uitgevoerd worden zonder dat daardoor de vaart der volkeren al tezeer afgeremd wordt omdat universiteiten hun vindingen over het algemeen niet patenteren en doorverkopen, maar vrij ter beschikking stellen door middel van publicaties. Maar een dergelijke profiteurshouding is in de internationale politiek niet erg verstandig.
Ten tweede heeft het wel degelijk nut om dergelijk onderzoek hier uit te voeren: Het zorgt ervoor dat in ons land de kennis en de vaardigheden aanwezig zijn om dergelijk onderzoek uit te voeren, en dat die kennis overgedragen wordt op studenten, de onderzoekers van de toekomst. Een groot deel van de onderzoekers bij de onderzoeksinstellingen die ik hierboven noemde, wordt namelijk opgeleid aan de universiteit. Hier leren studenten naast achtergrondkennis vooral ook onderzoeksvaardigheden, die onontbeerlijk zijn voor het doen van goed onderzoek. De aanwezigheid van goed opgeleide onderzoekers in een land of stad is een belangrijke vestigingsvoorwaarde voor de R&D-afdeling van bedrijven, en gezien de ambitie van Nederland om een kenniseconomie te worden is het van belang dat het vestigingsklimaat in Nederland zo gunstig mogelijk is.
Nu het belang van universiteiten voor de Nederlandse samenleving aangeduid is, is het van belang de organisatie en financiering van het onderzoek en het onderwijs aan de universiteiten te beschouwen. Ik begin hier met het onderzoek. Het onderzoek is bij universiteiten opgesplitst in onderzoeksgroepen of vakgroepen: Afdelingen die ruwweg dezelfde technieken gebruiken om soortgelijke vragen te onderzoeken. Soms zit hier nog een laag van faculteiten boven, maar dat is voornamelijk een vanuit de geschiedenis ontstane organisatorische structuur die voor dit betoog weinig van belang is. Een vakgroep wordt leiding gegeven door een of meerdere hoogleraren: Zij zijn eindverantwoordelijk voor al het onderzoek en onderwijs dat door hun vakgroep gegeven wordt, en nemen de strategische beslissingen binnen het onderzoek. Zij hebben universitair (hoofd)docenten onder zich, die verantwoordelijk zijn voor het aansturen van degenen die het onderzoek uitvoeren, en voor het geven van onderwijs aan studenten. Daarnaast kan een vakgroep nog onderzoeksassistenten in dienst hebben, die vaak geen universitaire opleiding genoten hebben en geen zelfstandig onderwijs geven, en die op de laboratoria een uitvoerende taak hebben. Het eigenlijke onderzoek wordt uitgevoerd door drie groepen: Door studenten die een afstudeervak (of these, of stage, of hoe dit ook wordt genoemd) bij een vakgroep doen, door Assistenten In Opleiding (AIO's), mensen die een universitaire studie afgerond hebben en daarna in een vierjarig prooject zelfstandig onderzoek moeten doen onder begeleiding van de universitair docent en onder verantwoordelijkheid van hun hoogleraar, waarna zij de academische graad van doctor behalen, en door postdocs, mensen die hun doctorsgraad behaald hebben en daarna voor onbepaalde tijd in korte projecten (meestal 1 tot 3 jaar) onderzoek verrichten tot iemand zo goed is hen een vaste positie als universitair docent aan te bieden
Dan de financiering: De salarissen van de vaste staf worden door de universiteit betaald. Hiervoor krijgen universiteiten geld van de overheid gebaseerd op het aantal studenten dat zijn opleiding afrondt. Studenten zijn natuurlijk gratis (je zou een student tenslotte eens geld moeten aanbieden :x ), maar voor de begeleiding en materiaalkosten van een afstudeervakstudent is natuurlijk wel geld nodig. Hiervoor wordt in Wageningen per universitair docent 4 uur per maand vergoed, en aan andere universiteiten gaat het om soortgelijke aantallen. Materiaalkosten zijn hierbij inbegrepen. Een klein deel van de AIO's wordt ook door de universiteit uit deze pot betaald: AIO's worden immers ook geacht een deel van hun tijd aan onderwijs te besteden. Sommige AIO's worden privaat gefinancierd, bijvoorbeeld door bedrijven of, bij uitzondering, door ouders met geld over. De meeste bedrijven hebben echter, zoals gezegd, geen geld voor fundamenteel onderzoek, en daarom is ook deze manier van financiering niet erg populair. Blijft over de derde geldstroom: Een pot overheidssubsidie die beheerd wordt door de NWO, die geld verdeelt op projectbasis. Hoogleraren en universitair docenten moeten onderzoeksvoorstellen schrijven, die door een commissie van andere hoogleraren beoordeeld worden op wetenschappelijke kwaliteit. Vervolgens worden alleen de beste projecten gefinancierd. De vakgroep krijgt dan geld om op voor de duur van een project een AIO of postdoc aan te stellen. Tevens wordt op soortgelijke manier geld verdeeld voor de aanschaf van dure onderzoeksapparatuur, zaken waarvoor de universiteit geen geld beschikbaar heeft. Om een indicatie te geven van waar de grens voor een universiteit ongeveer ligt: Een desktopcomputer kan nog net, daarboven moet er andere financiering gezocht worden.
Tot slot het onderwijs: Hierboven is uiteengezet hoe de docenten gefinancierd worden. Voor ontwikkeling van nieuwe onderwijselementen zoals ICT-elementen, practica en dergelijke is soms vanuit de universiteit op projectbasis geld te krijgen. Tevens levert de universiteit ruimten waarin onderwijs gegeven kan worden. Vakgroepen betalen zelf over het algemeen de materialen die tijdens practica worden verbruikt en de huur van apparaten die daarbij benodigd zijn, voor zover ze die niet zelf in hun bezit hebben.
Het hierboven uiteengezette financieringsmodel bevat enkele fatale fouten, die ik nu zal bespreken, maar die allemaal neerkomen op geldgebrek. De eerste is de financiering op projectbasis. In theorie heeft dit als voordeel dat de kwaliteit van onderzoek bevorderd wordt omdat alleen die projecten financiering krijgen, die goed door de toetsingscommissie heenkomen. Echter, de hoeveelheid onderzoeksvoorstellen overtreft het aanbod van projectfinancieringen vele malen. Ik heb meegemaakt dat voor een potje van 2 projecten 17 onderzoeksvoorstellen werden ingediend. Het is duidelijk dat in deze situatie de meeste onderzoeksvoorstellen in de prullenbak belanden. Een projectvoorstel schrijven dat ook maar enige kans van slagen maakt, kost een goede onderzoeker echter minstens een week. Een significant deel van de taak van een onderzoeker bestaat dus uit het goedgekeurd krijgen van projecten. Tevens wordt er echter van een onderzoeker die een projectvoorstel indient, verwacht dat hij regelmatig en veel publiceert en zijn artikelen in toonaangevende bladen krijgt. Ook dat is een toetsingscriterium voor het gefinancierd krijgen van projecten. Op dit moment is het niet mogelijk het goed te doen in onderzoek zonder er op zijn minst 60 uur in de week in te stoppen. Een universiteit betaalt dit overwerk niet uit, maar dat terzijde. Een onderzoeker verspilt dus een significant deel van zijn tijd aan het schrijven van projectvoorstellen, tijd die hij eigenlijk niet heeft. Er is maar één taak waar een onderzoeker op kan bezuinigen zonder dat dit projecten kost: Het onderwijs dat hij geeft. Natuurlijk kan hij niet wegblijven bij colleges, en vakgroepen moeten nu eenmaal een aantal vakken aanbieden van de universiteit. Dus wordt er niet bezuinigd op de kwantiteit maar op de kwaliteit van het onderwijs: Vakken worden niet of slecht vernieuwd en ze worden zo ingericht dat met een minimum aan docent-tijd een maximum aan effect bereikt kan worden. Dit is een belangrijke reden voor de opkomst van project-gericht onderwijs (waarbij studenten zelf aan een casus moeten werken), de docent hoeft het alleen maar na te kijken en te bespreken. Het is een inventieve oplossing, maar het werkelijke probleem is dat vakgroepen en docenten die goed onderzoek willen doen, door het systeem van financiering gedwongen worden om onderwijs te verwaarlozen. Dat kan nooit goed zijn voor de kwaliteit van het onderwijs.
Een tweede probleem is dat universitair docenten vrijwel nooit benoemd worden om hun onderwijskundige verdiensten. Leraar is een vak, maar op de universiteit worden alleen diegenen tot docent benoemd die hun sporen in het onderzoek verdiend hebben. Zoals elke student weet, heeft dat helemaal niets te maken met hun geschiktheid voor het vak van leraar. Dit heeft tot gevolg dat er naast mensen die toevallig wel onderwijs kunnen geven, ook veel docenten rondlopen die daar totaal niet toe in staat zijn. De docent is misschien wel de belangrijkste kwaliteitsbepalende factor binnen het onderwijs, en hierdoor is de kwaliteit van universitair onderwijs minder hoog dan zou moeten.
Scherp in contrast met de financiering van AIO's en postdocs staat de financiering van eenmaal aangestelde vaste krachten. Zij krijgen een vast salaris en zijn in vaste dienst, zonder ook maar enige voorwaarde daaraan. Nu is het slechts zeer weinigen gegeven in het hierboven geschetste klimaat jaren achtereen toonaangevend onderzoek te blijven doen. Er komt een moment waarop een docent de jacht naar constant meer projecten opgeeft en minder moeite gaat steken in het schrijven van projecten. Dat heeft tot gevolg dat deze persoon geen projecten meer toegewezen krijgt, daardoor geen AIO's en postdocs meer onder zich heeft, en daardoor niet meer zoveel publiceert en geleidelijk uit het onderzoek verdwijnt. Een dergelijke docent is met zijn salaris een last voor de universiteit, en wordt daarom maar onderwijs overneemt van zijn collega's die nog wel publiceren. Dat kan echter maar in beperkte mate omdat die in hun contract hebben staan dat ze een vast aantal uren per week aan onderwijs besteden.
Een vierde probleem waar vakgroepen mee kampen is dat de meeste projecten, zowel onderzoeksprojecten als materiaalaanschapprojecten, deels door de vakgroep zelf gefinancierd moeten worden omdat de door het NWO en soortgelijke organisaties beschikbaar gestelde bedragen altijd klein gehouden worden om met het geld wat er is zoveel mogelijk projecten te kunnen financieren. De vraag is, waar vakgroepen dit geld vandaan moeten halen, aangezien zij zelf geen inkomsten hebben en de algemene middelen van de universiteit beperkt zijn. Meestal betekent dit dat vakgroepen de apparatuur of samen moeten aanschaffen, of op geleend geld kopen, waardoor zij diep in de schulden geraken.
Daaraan gerelateerd is het probleem dat onderzoek steeds duurder wordt. De projecten die met minimale middelen uitgevoerd konden worden zijn ondertussen wel gedaan, en door de steeds verder voortschrijdende technische ontwikkelingen lopen de kosten van onderzoeksapparatuur steeds verder op. Deze moeten vaak snel afgeschreven worden, omdat binnen enkele jaren de wetenschap zoveel verder is dat voor het vervolg weer nieuwe apparatuur nodig is.
Door de afhankelijkheid van projecten is het maar in beperkte mate mogelijk als onderzoeker een eigen richting in te gaan. Er zijn vrijwel geen gelden die vrij besteedbaar zijn: Al het geld dat uit een project komt, heeft een bestemming. Het is bedoeld voor een AIO die de taak uit moet voeren die in het projectvoorstel al vastgelegd is, of voor een apparaat waarvan de precieze doeleinden ook in een projectvoorstel vastliggen. Dit in tegenstelling tot de financiering in met name de VS: Daar wordt vrij besteedbaar geld toegekend aan een onderzoeker, die zich achteraf moet verantwoorden over wat hij ermee gedaan heeft en wat ermee bereikt is. Dat leidt tot een veel grotere flexibiliteit.
Een belangrijke oorzaak van veel van de problemen die ik hierboven beschreef, is dat de overheid al decennia de geldkraan dichtdraait. In de jaren 70 waren er in Nederland veel meer vaste posities beschikbaar. Sindsdien is het aantal universitaire medewerkers op de vakgroepen waar ik heb gewerkt, gehalveerd door natuurlijk verloop en het niet opvullen van vacatures, onder invloed van de voortdurende bezuinigingen. Iedereen met een vast contract blijft zitten in die baan, het is immers erg moeilijk een andere baan te krijgen, tenzij je erg goed bent. Dat betekent wel dat er nauwelijks nieuwe posities vrijkwamen voor vers bloed, met als gevolg dat postdocs vaak tientallen jaren moeten wachten tot ze een vaste positie aangeboden krijgen. Aangezien er voortdurend nieuwe AIO's afstuderen die ook in de markt komen voor postdoc-posities, zijn er maar weinig postdocs die erin slagen om twee projecten aan dezelfde instelling te doen. De meesten moeten iedere 1, 2 of 3 jaar op zoek naar een nieuwe baan in een andere plaats of zelfs in een ander land. Onderzoek aan de universiteit is daardoor in Nederland een uiterst onzekere baan, met alle gevolgen van dien voor de aantrekkelijkheid van die baan.
Steeds meer goede onderzoekers trekken weg uit Nederland. Zij worden met open armen ontvangen in de VS, in Duitsland, in Engeland, in andere landen met meer waardering voor onderzoek dan Nederland. En waarom ook niet? (Jonge) Onderzoekers spreken per definitie goed Engels omdat ze in die taal publiceren. Een Amerikaanse universiteit van vergelijkbare kwaliteit als een Nederlandse heeft meestal een budget voor onderzoek dat het budget hier vele malen overschrijdt. Zo gaat een amerikaanse vakgroep die concurreert met de groep waar ik werkte, voor een bedrag waar in wageningen de hele vakgroep een jaar lang onderzoek van moet doen, een enkel experiment uitvoeren. Daar valt niet tegenin te concurreren, en als je een beetje naam hebt binnen het onderzoek ziet men je graag komen. Het onderzoek in de VS draait toch grotendeels al op buitenlanders.
Voor de toekomst van het onderwijs en onderzoek in Nederland is dit natuurlijk desastreus. Als de besten vertrekken, daalt het algehele niveau van het onderzoek en door de vertrokken know-how ook van het onderwijs, en dat heeft weer implicaties voor de hele kenniseconomie.
Een andere bedreiging daarvoor vormt het beleid van de overheid met betrekking tot studeren. Doordat universiteiten met name gestimuleerd worden om studenten te laten afstuderen (ze krijgen veel geld voor elke afgestudeerde student), is het aantrekkelijk om studenten vooral maar hun vakken te laten halen. Ook de door tempobeurs, prestatiebeurs, leningen en nu hoger collegegeld bij vertraging opgejaagde student heeft er belang bij dat studies niet uitlopen. De UU heeft al als motto "meedoen is halen", en dat wordt bij steeds meer universiteiten de norm. In Wageningen moet bij elk vak 60% of 70% (al naar gelang de studiefase waarin het vak gegeven wordt) van de studenten in 1 keer slagen. Het is duidelijk dat bij sommige vakken, waar dit percentage vroeger op 10% lag omdat het om moeilijke materie draait, zoiets moet betekenen dat het niveau omlaag gehaald wordt. En op dezelfde manier haalt tegenwoordig iedereen per definitie zijn afstudeervakken: Een student 26 weken opnieuw laten doen kan simpelweg niet meer, ook al heeft hij prutswerk afgeleverd.
De kwaliteit van het onderwijs in Nederland daalt, en tegelijkertijd wil de overheid studeren drastisch duurder maken door collegegelden te verhogen en vrij te geven, zodat topopleidingen zoveel kunnen vragen als ze willen. "Studenten kunnen toch wel lenen en een goede studie betaalt zichzelf terug" is de redenatie daarachter, maar wie gaat er nog een beta-studie doen op het moment dat hij zich daarmee een torenhoge schuld op zijn hals haalt zonder dat er een navenant salaris tegenover staat? Want een onderzoeker verdient weliswaar niet slecht, maar niet zodanig dat er een schuld van een ton of meer vanaf kan zonder dat dat pijn doet. En binnen het onderzoek red je het niet alleen met een mooi diploma, daar is vooral veel inzet, hard werken en constant presteren voor nodig. Een accountancystudie of rechtenstudie of iets dergelijks wordt daarmee wel erg aantrekkelijk.
Het niveau van zowel het onderzoek als het onderwijs in Nederland daalt. Dat dit nog niet tot dramatische gevolgen geleid heeft, heeft vooral te maken met de erfenis van het verleden. Het onderzoek teert nog steeds voort op de opleiding die studenten in de jaren 70 en 80 kregen, toen 4 jaar studeren nog niet de norm was. Echter, de concurrentiestrijd met het buitenland kan niet veel langer gewonnen worden. Nederlandse studenten hebben zich afgekeerd van betastudies die opleiden tot onderzoekers, zozeer zelfs dat overheidscampagnes nodig zijn om ze weer terug te lokken. Maar als het aankomt op promoveren, is het nog veel dramatischer. Nederlanders zijn er nauwelijks meer voor te porren, en hun plaatsen worden opgevuld met buitenlanders. Die vertrekken vaak echter weer naar hun eigen land of naar de VS na het promoveren, dus daar heeft Nederland niet veel aan op de lange termijn.
Wat moet er gebeuren? Als nederland een kenniseconomie wil worden, heel veel. Allereerst zullen de universiteiten drastisch meer geld moeten krijgen (een verdubbeling is zeker op zijn plaats), en moet dit geld doelvrij worden zodat goede onderzoekers het naar eigen inzicht kunnen besteden. Desnoods moet er in het aantal onderzoekers gesneden worden, als dat betekent dat de overgebleven onderzoekers meer budget hebben. Het universitair onderwijs moet gegeven worden door docenten zonder onderzoektaak, waarbij studenten op stage gaan bij een vakgroep om daar te leren wat onderzoek is. Onderzoekers kunnen zich dan richten op hun eigenlijke taak, het doen van fundamenteel onderzoek. De plannen met betrekking tot hogere collegegelden moeten aan banden gelegd worden om te voorkomen dat studenten nog meer dan nu economisch hun studie gaan kiezen en betastudies links laten liggen. Universitaire opleidingen moeten drastisch verzwaard worden, en de overheid moet accepteren dat een fors deel van de studenten tijdens de studie moet afhaken, maar er wel zorg voor dragen dat zij goed terecht kunnen komen op een voor hen haalbaar niveau. Ook lang doorzetten in een moeilijke studie moet weer financieel mogelijk worden. Dit alles om de kenniseconomie te stimuleren.
Maar misschien kan Nederland beter accepteren dat het geen kenniseconomie is en ook nooit zal worden, en zich geheel gaan richten op het sjacheren, organiseren en managen, bankieren, procederen, adviseren en nutteloze ambtenaren onderhouden met bureaucratie waar de maatschappelijke toplaag van Nederland zo goed in is. Misschien dat daar een internationale markt is waar je je als land goed in kan profileren. Maar dan moet het niet raar opkijken als onderzoekers op zoek gaan naar een beter klimaat, en researchbedrijven met hen.
Er zijn in Nederland drie soorten instellingen waar onderzoek wordt bedreven: Bedrijven, onderzoeksinstituten en universiteiten. Het onderzoek wat zij doen, kan in ruwweg twee categorieen opgesplitst worden (die weliswaar deels overlappen maar toch fundamenteel, in hun doelstelling, verschillend zijn): Fundamenteel en toegepast onderzoek. Bedrijven verrichten voornamelijk toegepast onderzoek, onderzoek gericht op directe productontwikkeling, op zaken waar een bedrijf winst op kan maken. Dit onderzoek voert een bedrijf niet altijd zelf uit, vaak wordt het uitbesteed aan andere bedrijven die erin gespecialiseerd zijn, of aan onderzoeksinstituten. Onderzoeksinstituten zijn instellingen die een publieke taak hebben: Zij vervullen niet alleen opdrachten van bedrijven, maar met name ook van de overheid. Denk hierbij aan TNO, DLO, enzovoorts. Naast toegepast onderzoek wordt er aan onderzoeksinstituten fundamenteel onderzoek bedreven in opdracht van anderen. Daarbij is de doelstelling niet zozeer om uit te zoeken hoe een product zo optimaal mogelijk gemaakt kan worden, maar om uit te zoeken hoe iets werkt. Er wordt getracht een eigenschap van de natuur, van de wereld om ons heen, te beschrijven in wetmatigheden. Dit kan uiteindelijk natuurlijk tot toepassing in een product leiden, maar dat is niet het doel. Dergelijk onderzoek is het hoofddoel van de onderzoekspoot van universiteiten. Daarnaast wordt het, zoals gezegd, deels ook bij onderzoeksinstituten uitgevoerd, en deels bij grote bedrijven, vaak multinationals die het zich kunnen veroorloven tijd en geld te steken in onderzoek naar de aard van de natuur om die kennis vervolgens te gebruiken voor productontwikkeling. Maar voor een gemiddeld bedrijf is dat slechts in zeer beperkte mate mogelijk, en zij besteden hun onderzoeksbudget dan over het algemeen aan projecten waarbij er direct uitzicht is op winst, en laten het baanbrekende fundamentele onderzoek over aan universiteiten.
Daarmee is de functie van universiteiten binnen het onderzoek dus vastgelegd: Zij doen de hoofdmoot van het fundamentele onderzoek. Dit is uiteraard niet rendabel, en daarom moeten universiteiten gefinancierd worden. Deze financiering komt grotendeels van de overheid, die daar om twee redenen belang bij heeft. Allereerst is het belangrijk dat fundamenteel onderzoek gedaan wordt: Fundamenteel onderzoek geeft een impuls aan de economische ontwikkeling van de wereld door kennis te bieden waarmee nieuwe technologie ontwikkeld kan worden om maatschappelijke problemen op te lossen. Denk in het geval van beta-wetenschap bijvoorbeeld aan de ontwikkeling van de laser of de microchip die tegenwoordig in talloze toepassingen terug te vinden zijn. Nu is Nederland een klein land en kan fundamenteel onderzoek best in het buitenland uitgevoerd worden zonder dat daardoor de vaart der volkeren al tezeer afgeremd wordt omdat universiteiten hun vindingen over het algemeen niet patenteren en doorverkopen, maar vrij ter beschikking stellen door middel van publicaties. Maar een dergelijke profiteurshouding is in de internationale politiek niet erg verstandig.
Ten tweede heeft het wel degelijk nut om dergelijk onderzoek hier uit te voeren: Het zorgt ervoor dat in ons land de kennis en de vaardigheden aanwezig zijn om dergelijk onderzoek uit te voeren, en dat die kennis overgedragen wordt op studenten, de onderzoekers van de toekomst. Een groot deel van de onderzoekers bij de onderzoeksinstellingen die ik hierboven noemde, wordt namelijk opgeleid aan de universiteit. Hier leren studenten naast achtergrondkennis vooral ook onderzoeksvaardigheden, die onontbeerlijk zijn voor het doen van goed onderzoek. De aanwezigheid van goed opgeleide onderzoekers in een land of stad is een belangrijke vestigingsvoorwaarde voor de R&D-afdeling van bedrijven, en gezien de ambitie van Nederland om een kenniseconomie te worden is het van belang dat het vestigingsklimaat in Nederland zo gunstig mogelijk is.
Nu het belang van universiteiten voor de Nederlandse samenleving aangeduid is, is het van belang de organisatie en financiering van het onderzoek en het onderwijs aan de universiteiten te beschouwen. Ik begin hier met het onderzoek. Het onderzoek is bij universiteiten opgesplitst in onderzoeksgroepen of vakgroepen: Afdelingen die ruwweg dezelfde technieken gebruiken om soortgelijke vragen te onderzoeken. Soms zit hier nog een laag van faculteiten boven, maar dat is voornamelijk een vanuit de geschiedenis ontstane organisatorische structuur die voor dit betoog weinig van belang is. Een vakgroep wordt leiding gegeven door een of meerdere hoogleraren: Zij zijn eindverantwoordelijk voor al het onderzoek en onderwijs dat door hun vakgroep gegeven wordt, en nemen de strategische beslissingen binnen het onderzoek. Zij hebben universitair (hoofd)docenten onder zich, die verantwoordelijk zijn voor het aansturen van degenen die het onderzoek uitvoeren, en voor het geven van onderwijs aan studenten. Daarnaast kan een vakgroep nog onderzoeksassistenten in dienst hebben, die vaak geen universitaire opleiding genoten hebben en geen zelfstandig onderwijs geven, en die op de laboratoria een uitvoerende taak hebben. Het eigenlijke onderzoek wordt uitgevoerd door drie groepen: Door studenten die een afstudeervak (of these, of stage, of hoe dit ook wordt genoemd) bij een vakgroep doen, door Assistenten In Opleiding (AIO's), mensen die een universitaire studie afgerond hebben en daarna in een vierjarig prooject zelfstandig onderzoek moeten doen onder begeleiding van de universitair docent en onder verantwoordelijkheid van hun hoogleraar, waarna zij de academische graad van doctor behalen, en door postdocs, mensen die hun doctorsgraad behaald hebben en daarna voor onbepaalde tijd in korte projecten (meestal 1 tot 3 jaar) onderzoek verrichten tot iemand zo goed is hen een vaste positie als universitair docent aan te bieden
Dan de financiering: De salarissen van de vaste staf worden door de universiteit betaald. Hiervoor krijgen universiteiten geld van de overheid gebaseerd op het aantal studenten dat zijn opleiding afrondt. Studenten zijn natuurlijk gratis (je zou een student tenslotte eens geld moeten aanbieden :x ), maar voor de begeleiding en materiaalkosten van een afstudeervakstudent is natuurlijk wel geld nodig. Hiervoor wordt in Wageningen per universitair docent 4 uur per maand vergoed, en aan andere universiteiten gaat het om soortgelijke aantallen. Materiaalkosten zijn hierbij inbegrepen. Een klein deel van de AIO's wordt ook door de universiteit uit deze pot betaald: AIO's worden immers ook geacht een deel van hun tijd aan onderwijs te besteden. Sommige AIO's worden privaat gefinancierd, bijvoorbeeld door bedrijven of, bij uitzondering, door ouders met geld over. De meeste bedrijven hebben echter, zoals gezegd, geen geld voor fundamenteel onderzoek, en daarom is ook deze manier van financiering niet erg populair. Blijft over de derde geldstroom: Een pot overheidssubsidie die beheerd wordt door de NWO, die geld verdeelt op projectbasis. Hoogleraren en universitair docenten moeten onderzoeksvoorstellen schrijven, die door een commissie van andere hoogleraren beoordeeld worden op wetenschappelijke kwaliteit. Vervolgens worden alleen de beste projecten gefinancierd. De vakgroep krijgt dan geld om op voor de duur van een project een AIO of postdoc aan te stellen. Tevens wordt op soortgelijke manier geld verdeeld voor de aanschaf van dure onderzoeksapparatuur, zaken waarvoor de universiteit geen geld beschikbaar heeft. Om een indicatie te geven van waar de grens voor een universiteit ongeveer ligt: Een desktopcomputer kan nog net, daarboven moet er andere financiering gezocht worden.
Tot slot het onderwijs: Hierboven is uiteengezet hoe de docenten gefinancierd worden. Voor ontwikkeling van nieuwe onderwijselementen zoals ICT-elementen, practica en dergelijke is soms vanuit de universiteit op projectbasis geld te krijgen. Tevens levert de universiteit ruimten waarin onderwijs gegeven kan worden. Vakgroepen betalen zelf over het algemeen de materialen die tijdens practica worden verbruikt en de huur van apparaten die daarbij benodigd zijn, voor zover ze die niet zelf in hun bezit hebben.
Het hierboven uiteengezette financieringsmodel bevat enkele fatale fouten, die ik nu zal bespreken, maar die allemaal neerkomen op geldgebrek. De eerste is de financiering op projectbasis. In theorie heeft dit als voordeel dat de kwaliteit van onderzoek bevorderd wordt omdat alleen die projecten financiering krijgen, die goed door de toetsingscommissie heenkomen. Echter, de hoeveelheid onderzoeksvoorstellen overtreft het aanbod van projectfinancieringen vele malen. Ik heb meegemaakt dat voor een potje van 2 projecten 17 onderzoeksvoorstellen werden ingediend. Het is duidelijk dat in deze situatie de meeste onderzoeksvoorstellen in de prullenbak belanden. Een projectvoorstel schrijven dat ook maar enige kans van slagen maakt, kost een goede onderzoeker echter minstens een week. Een significant deel van de taak van een onderzoeker bestaat dus uit het goedgekeurd krijgen van projecten. Tevens wordt er echter van een onderzoeker die een projectvoorstel indient, verwacht dat hij regelmatig en veel publiceert en zijn artikelen in toonaangevende bladen krijgt. Ook dat is een toetsingscriterium voor het gefinancierd krijgen van projecten. Op dit moment is het niet mogelijk het goed te doen in onderzoek zonder er op zijn minst 60 uur in de week in te stoppen. Een universiteit betaalt dit overwerk niet uit, maar dat terzijde. Een onderzoeker verspilt dus een significant deel van zijn tijd aan het schrijven van projectvoorstellen, tijd die hij eigenlijk niet heeft. Er is maar één taak waar een onderzoeker op kan bezuinigen zonder dat dit projecten kost: Het onderwijs dat hij geeft. Natuurlijk kan hij niet wegblijven bij colleges, en vakgroepen moeten nu eenmaal een aantal vakken aanbieden van de universiteit. Dus wordt er niet bezuinigd op de kwantiteit maar op de kwaliteit van het onderwijs: Vakken worden niet of slecht vernieuwd en ze worden zo ingericht dat met een minimum aan docent-tijd een maximum aan effect bereikt kan worden. Dit is een belangrijke reden voor de opkomst van project-gericht onderwijs (waarbij studenten zelf aan een casus moeten werken), de docent hoeft het alleen maar na te kijken en te bespreken. Het is een inventieve oplossing, maar het werkelijke probleem is dat vakgroepen en docenten die goed onderzoek willen doen, door het systeem van financiering gedwongen worden om onderwijs te verwaarlozen. Dat kan nooit goed zijn voor de kwaliteit van het onderwijs.
Een tweede probleem is dat universitair docenten vrijwel nooit benoemd worden om hun onderwijskundige verdiensten. Leraar is een vak, maar op de universiteit worden alleen diegenen tot docent benoemd die hun sporen in het onderzoek verdiend hebben. Zoals elke student weet, heeft dat helemaal niets te maken met hun geschiktheid voor het vak van leraar. Dit heeft tot gevolg dat er naast mensen die toevallig wel onderwijs kunnen geven, ook veel docenten rondlopen die daar totaal niet toe in staat zijn. De docent is misschien wel de belangrijkste kwaliteitsbepalende factor binnen het onderwijs, en hierdoor is de kwaliteit van universitair onderwijs minder hoog dan zou moeten.
Scherp in contrast met de financiering van AIO's en postdocs staat de financiering van eenmaal aangestelde vaste krachten. Zij krijgen een vast salaris en zijn in vaste dienst, zonder ook maar enige voorwaarde daaraan. Nu is het slechts zeer weinigen gegeven in het hierboven geschetste klimaat jaren achtereen toonaangevend onderzoek te blijven doen. Er komt een moment waarop een docent de jacht naar constant meer projecten opgeeft en minder moeite gaat steken in het schrijven van projecten. Dat heeft tot gevolg dat deze persoon geen projecten meer toegewezen krijgt, daardoor geen AIO's en postdocs meer onder zich heeft, en daardoor niet meer zoveel publiceert en geleidelijk uit het onderzoek verdwijnt. Een dergelijke docent is met zijn salaris een last voor de universiteit, en wordt daarom maar onderwijs overneemt van zijn collega's die nog wel publiceren. Dat kan echter maar in beperkte mate omdat die in hun contract hebben staan dat ze een vast aantal uren per week aan onderwijs besteden.
Een vierde probleem waar vakgroepen mee kampen is dat de meeste projecten, zowel onderzoeksprojecten als materiaalaanschapprojecten, deels door de vakgroep zelf gefinancierd moeten worden omdat de door het NWO en soortgelijke organisaties beschikbaar gestelde bedragen altijd klein gehouden worden om met het geld wat er is zoveel mogelijk projecten te kunnen financieren. De vraag is, waar vakgroepen dit geld vandaan moeten halen, aangezien zij zelf geen inkomsten hebben en de algemene middelen van de universiteit beperkt zijn. Meestal betekent dit dat vakgroepen de apparatuur of samen moeten aanschaffen, of op geleend geld kopen, waardoor zij diep in de schulden geraken.
Daaraan gerelateerd is het probleem dat onderzoek steeds duurder wordt. De projecten die met minimale middelen uitgevoerd konden worden zijn ondertussen wel gedaan, en door de steeds verder voortschrijdende technische ontwikkelingen lopen de kosten van onderzoeksapparatuur steeds verder op. Deze moeten vaak snel afgeschreven worden, omdat binnen enkele jaren de wetenschap zoveel verder is dat voor het vervolg weer nieuwe apparatuur nodig is.
Door de afhankelijkheid van projecten is het maar in beperkte mate mogelijk als onderzoeker een eigen richting in te gaan. Er zijn vrijwel geen gelden die vrij besteedbaar zijn: Al het geld dat uit een project komt, heeft een bestemming. Het is bedoeld voor een AIO die de taak uit moet voeren die in het projectvoorstel al vastgelegd is, of voor een apparaat waarvan de precieze doeleinden ook in een projectvoorstel vastliggen. Dit in tegenstelling tot de financiering in met name de VS: Daar wordt vrij besteedbaar geld toegekend aan een onderzoeker, die zich achteraf moet verantwoorden over wat hij ermee gedaan heeft en wat ermee bereikt is. Dat leidt tot een veel grotere flexibiliteit.
Een belangrijke oorzaak van veel van de problemen die ik hierboven beschreef, is dat de overheid al decennia de geldkraan dichtdraait. In de jaren 70 waren er in Nederland veel meer vaste posities beschikbaar. Sindsdien is het aantal universitaire medewerkers op de vakgroepen waar ik heb gewerkt, gehalveerd door natuurlijk verloop en het niet opvullen van vacatures, onder invloed van de voortdurende bezuinigingen. Iedereen met een vast contract blijft zitten in die baan, het is immers erg moeilijk een andere baan te krijgen, tenzij je erg goed bent. Dat betekent wel dat er nauwelijks nieuwe posities vrijkwamen voor vers bloed, met als gevolg dat postdocs vaak tientallen jaren moeten wachten tot ze een vaste positie aangeboden krijgen. Aangezien er voortdurend nieuwe AIO's afstuderen die ook in de markt komen voor postdoc-posities, zijn er maar weinig postdocs die erin slagen om twee projecten aan dezelfde instelling te doen. De meesten moeten iedere 1, 2 of 3 jaar op zoek naar een nieuwe baan in een andere plaats of zelfs in een ander land. Onderzoek aan de universiteit is daardoor in Nederland een uiterst onzekere baan, met alle gevolgen van dien voor de aantrekkelijkheid van die baan.
Steeds meer goede onderzoekers trekken weg uit Nederland. Zij worden met open armen ontvangen in de VS, in Duitsland, in Engeland, in andere landen met meer waardering voor onderzoek dan Nederland. En waarom ook niet? (Jonge) Onderzoekers spreken per definitie goed Engels omdat ze in die taal publiceren. Een Amerikaanse universiteit van vergelijkbare kwaliteit als een Nederlandse heeft meestal een budget voor onderzoek dat het budget hier vele malen overschrijdt. Zo gaat een amerikaanse vakgroep die concurreert met de groep waar ik werkte, voor een bedrag waar in wageningen de hele vakgroep een jaar lang onderzoek van moet doen, een enkel experiment uitvoeren. Daar valt niet tegenin te concurreren, en als je een beetje naam hebt binnen het onderzoek ziet men je graag komen. Het onderzoek in de VS draait toch grotendeels al op buitenlanders.
Voor de toekomst van het onderwijs en onderzoek in Nederland is dit natuurlijk desastreus. Als de besten vertrekken, daalt het algehele niveau van het onderzoek en door de vertrokken know-how ook van het onderwijs, en dat heeft weer implicaties voor de hele kenniseconomie.
Een andere bedreiging daarvoor vormt het beleid van de overheid met betrekking tot studeren. Doordat universiteiten met name gestimuleerd worden om studenten te laten afstuderen (ze krijgen veel geld voor elke afgestudeerde student), is het aantrekkelijk om studenten vooral maar hun vakken te laten halen. Ook de door tempobeurs, prestatiebeurs, leningen en nu hoger collegegeld bij vertraging opgejaagde student heeft er belang bij dat studies niet uitlopen. De UU heeft al als motto "meedoen is halen", en dat wordt bij steeds meer universiteiten de norm. In Wageningen moet bij elk vak 60% of 70% (al naar gelang de studiefase waarin het vak gegeven wordt) van de studenten in 1 keer slagen. Het is duidelijk dat bij sommige vakken, waar dit percentage vroeger op 10% lag omdat het om moeilijke materie draait, zoiets moet betekenen dat het niveau omlaag gehaald wordt. En op dezelfde manier haalt tegenwoordig iedereen per definitie zijn afstudeervakken: Een student 26 weken opnieuw laten doen kan simpelweg niet meer, ook al heeft hij prutswerk afgeleverd.
De kwaliteit van het onderwijs in Nederland daalt, en tegelijkertijd wil de overheid studeren drastisch duurder maken door collegegelden te verhogen en vrij te geven, zodat topopleidingen zoveel kunnen vragen als ze willen. "Studenten kunnen toch wel lenen en een goede studie betaalt zichzelf terug" is de redenatie daarachter, maar wie gaat er nog een beta-studie doen op het moment dat hij zich daarmee een torenhoge schuld op zijn hals haalt zonder dat er een navenant salaris tegenover staat? Want een onderzoeker verdient weliswaar niet slecht, maar niet zodanig dat er een schuld van een ton of meer vanaf kan zonder dat dat pijn doet. En binnen het onderzoek red je het niet alleen met een mooi diploma, daar is vooral veel inzet, hard werken en constant presteren voor nodig. Een accountancystudie of rechtenstudie of iets dergelijks wordt daarmee wel erg aantrekkelijk.
Het niveau van zowel het onderzoek als het onderwijs in Nederland daalt. Dat dit nog niet tot dramatische gevolgen geleid heeft, heeft vooral te maken met de erfenis van het verleden. Het onderzoek teert nog steeds voort op de opleiding die studenten in de jaren 70 en 80 kregen, toen 4 jaar studeren nog niet de norm was. Echter, de concurrentiestrijd met het buitenland kan niet veel langer gewonnen worden. Nederlandse studenten hebben zich afgekeerd van betastudies die opleiden tot onderzoekers, zozeer zelfs dat overheidscampagnes nodig zijn om ze weer terug te lokken. Maar als het aankomt op promoveren, is het nog veel dramatischer. Nederlanders zijn er nauwelijks meer voor te porren, en hun plaatsen worden opgevuld met buitenlanders. Die vertrekken vaak echter weer naar hun eigen land of naar de VS na het promoveren, dus daar heeft Nederland niet veel aan op de lange termijn.
Wat moet er gebeuren? Als nederland een kenniseconomie wil worden, heel veel. Allereerst zullen de universiteiten drastisch meer geld moeten krijgen (een verdubbeling is zeker op zijn plaats), en moet dit geld doelvrij worden zodat goede onderzoekers het naar eigen inzicht kunnen besteden. Desnoods moet er in het aantal onderzoekers gesneden worden, als dat betekent dat de overgebleven onderzoekers meer budget hebben. Het universitair onderwijs moet gegeven worden door docenten zonder onderzoektaak, waarbij studenten op stage gaan bij een vakgroep om daar te leren wat onderzoek is. Onderzoekers kunnen zich dan richten op hun eigenlijke taak, het doen van fundamenteel onderzoek. De plannen met betrekking tot hogere collegegelden moeten aan banden gelegd worden om te voorkomen dat studenten nog meer dan nu economisch hun studie gaan kiezen en betastudies links laten liggen. Universitaire opleidingen moeten drastisch verzwaard worden, en de overheid moet accepteren dat een fors deel van de studenten tijdens de studie moet afhaken, maar er wel zorg voor dragen dat zij goed terecht kunnen komen op een voor hen haalbaar niveau. Ook lang doorzetten in een moeilijke studie moet weer financieel mogelijk worden. Dit alles om de kenniseconomie te stimuleren.
Maar misschien kan Nederland beter accepteren dat het geen kenniseconomie is en ook nooit zal worden, en zich geheel gaan richten op het sjacheren, organiseren en managen, bankieren, procederen, adviseren en nutteloze ambtenaren onderhouden met bureaucratie waar de maatschappelijke toplaag van Nederland zo goed in is. Misschien dat daar een internationale markt is waar je je als land goed in kan profileren. Maar dan moet het niet raar opkijken als onderzoekers op zoek gaan naar een beter klimaat, en researchbedrijven met hen.