Om de kruiscorrelatie tussen twee signalen te bepalen, gebruik ik Fouriertransformaties. Het signaal f(t) met als Fouriergetransformeerde F(ω) moet worden gecorreleerd met het referentiesignaal g(t) met als Fouriergetransformeerde G(ω). De correlatiecoëfficiënten r zijn gedefinieerd als
R(ω) = F(ω)×G*(ω)
Door tenslotte de inverse Fouriertransformatie uit te voeren op R is r(t) te berekenen.
Tot zover de theorie. Aangezien de signalen f en g reëel zijn (dus geen imaginair deel hebben), zouden de correlatiecoëfficiënten ook r ook reëel moeten zijn. In alle implementaties van de inverse Fouriertransformatie die ik tot dusverre ben tegengekomen, worden echter complexe getallen geretourneerd. Nu zit ik met het probleem hoe ik het imaginaire gedeelte van r(t) moet interpreteren.
Bovendien weet ik niet hoe ik ermee moet omgaan. Daar waar de (reële) kruiscorrelatie van het signaal met het referentiesignaal het hoogst is, is er de meeste overeenkomst. Maar hoe zit dat met complexe correlatiecoëfficiënten?
R(ω) = F(ω)×G*(ω)
Door tenslotte de inverse Fouriertransformatie uit te voeren op R is r(t) te berekenen.
Tot zover de theorie. Aangezien de signalen f en g reëel zijn (dus geen imaginair deel hebben), zouden de correlatiecoëfficiënten ook r ook reëel moeten zijn. In alle implementaties van de inverse Fouriertransformatie die ik tot dusverre ben tegengekomen, worden echter complexe getallen geretourneerd. Nu zit ik met het probleem hoe ik het imaginaire gedeelte van r(t) moet interpreteren.
Bovendien weet ik niet hoe ik ermee moet omgaan. Daar waar de (reële) kruiscorrelatie van het signaal met het referentiesignaal het hoogst is, is er de meeste overeenkomst. Maar hoe zit dat met complexe correlatiecoëfficiënten?
Een goede grap mag vrienden kosten.