1 Mbit kan je nooit halen. De upload is namelijk maximaal 832 kbit/s.
Zo, hier nog een verhaaltje waar alles netjes wordt uitgelegd.
De modulatietechniek DMT speelt een belangrijke rol. Deze techniek moet de hoge snelheden waar ADSL om bekend staat mogelijk maken. De maximale snelheid bij ADSL voor upstream- en downstreamverkeer, is een ideale waarde. In de praktijk varieert de snelheid, afhankelijk van de kwaliteit en lengte van de kabel tussen de wijkcentrale en de woning. De wijkcentrale wordt ook wel central office genoemd, het stukje tot de eindgebruiker heet de local loop.
Vanaf de central office lopen aderparen naar de woningen in de wijk, waarbij soms tot wel 900 aderparen zijn samengebracht in één dikke kabel. Dit werkt overspraak in de hand, wat betekent dat de aders elkaars signaal beïnvloeden. De bekabeling is bovendien oorspronkelijk ontworpen voor spraak, met frequenties van 300 tot 3.400 Hz. Omdat voor ADSL veel hogere frequenties nodig zijn, tot wel 1 Mhz, zal ook de overspraak toenemen. Tevens staan de kabels onder invloed van verschillende externe factoren, zoals ruis door machines, de atmosfeer en radiogolven. Ook dient de ADSL-techniek met verschillende knelpunten rekening te houden om tot een hoge snelheid te komen.
De hoge snelheid wordt bereikt dankzij de DTM modulatietechniek, wat staat voor Discrete Multi Tone. Bij deze techniek wordt de verbinding eerst opgedeeld in 256 gebiedjes, de zogenaamde subcarriers. Voor carrier wordt ook wel de Nederlandse term draaggolf gebruikt. Aan iedere subcarrier wordt een frequentiegebied van 4,3125 kHz toegewezen. Alle 256 subcarriers vormen gezamenlijk een frequentieband van 1,104 MHz. Van iedere subcarrier wordt de signaal-ruis verhouding gemeten, deze waarde geeft aan hoe hoog de kwaliteit van dat frequentiegebied is.
Afhankelijk van deze gemeten waarde wordt een capaciteit van 0 tot 32 kbit/s toegewezen. Ook de demping speelt een rol, de demping geeft aan hoe zeer het signaal versterkt of verzwakt raakt. Het zendvermogen wordt vervolgens aangepast op basis van de demping en de signaal-ruis verhouding. Als er te veel ruis wordt gemeten, zal het zendvermogen worden vergroot. Dit kan niet ongestraft, omdat het ook weer gevolgen heeft voor de overspraak. Het meten van de condities en toewijzen van capaciteit aan de subcarriers gebeurt niet eenmalig, de parameters worden dynamisch aangepast afhankelijk van de condities.
In de volgende stap worden de verschillende subcarriers samengevoegd. Gaan we uit van de situatie waarbij de gebruiker ADSL met een analoge telefoonaansluiting combineert, dan worden de eerste 6 subcarriers overgeslagen. Dit gedeelte is gereserveerd voor analoge telefonie. Voor gebruikers met ISDN worden iets meer carriers overgeslagen, omdat ISDN iets meer bandbreedte vereist. De volgende 26 subcarriers worden gebruikt voor upstream verkeer, wat resulteert in een maximale snelheid van 832 kbit/s (26 subcarriers x 32 kbit/s). Daarna volgen de resterende 224 subcarriers welke samen een downstream kanaal van maximaal 7,2 Mbit/s vormen (224 subcarriers x 32 kbit/s). In het volgende schema wordt dit toegelicht.
Ten slotte worden door een filter (splitser) lage en hoge frequenties van elkaar gescheiden. De lage frequenties gaan naar een wandcontactdoos of connector waarop een analoog telefoontoestel kan worden aangesloten, ook wel pots-aansluiting genoemd (Plain Old Telephone System). De hoge frequenties bevatten de informatie voor het upstream en downstream verkeer, welke door de ADSL-modem worden verwerkt. Bij ISDN is de band voor lage frequenties iets groter dan bij een analoge telefoonaansluiting, maar in verhouding tot het frequentiegebied voor upstream en downstream verkeer nog steeds heel klein. ISDN en ADSL kunnen dus prima worden gecombineerd, in de praktijk gebeurt dit ook gewoon.
De onderstaande situatie laat drie voorbeelden zien. Links zie je drie woningen boven elkaar geschets, waarbij de bovenste en onderste een normale ADSL-aansluiting gebruiken (ADSL met analoge telefonie) en de middelste een ADSL-oplossing in combinatie met ISDN. Rechts is de splitter in de CO (Central Office, de wijkcentrale) getekend, vaak onderdeel van wat men de MDF noemt (Main Distribution Frame), waar telefonie en data worden gesplitst. De data wordt vervolgens naar de DSLAM gestuurd. DSLAM staat voor Digital Subscriber Line Access Multiplexer.
Overigens kan er voor worden gekozen om het upstream gebied te laten samenvallen met het downstream gebied. Dat gebeurt met een zogenaamde echo canceller. Hoewel dit in de praktijk meestal niet wordt gedaan, maakt deze methode een hogere snelheid mogelijk. Het vereist echter wat complexere apparatuur.
Ook is er nog de invloed van de lengte van de local loop op de snelheid. Bij een lange local loop neemt de maximaal haalbare downstream af. De mediaan van de local loop bedraagt in Nederland ongeveer 2 km. Dit houdt in dat het aantal kabels naar de eindgebruiker dat korter is dan 2 km even groot is als het aantal kabels dat langer is dan 2 km. Er zijn uiteraard uitschieters naar boven en beneden. Bij veruit de meeste aansluitingen kan een snelheid van 8 Mbit/s worden gehaald. Tegenwoordig zijn er ook een aantal providers die dit ook daadwerkelijk doen. Dit is erg gunstig voor de concurrentie. Deze snelheden worden trouwens zelden of nooit gehaald in de praktijk. Bij deze abbonementen wordt er ook minimaal 2Mbit/s verzekerd tot de maximale 8Mbit/s. De upload is dan wel hoger. Dit is bij deze hoge abonnementen 1Mbit, wat dus maximaal 832 kbit/s is. Ook de 8 Mbit kan nooit gehaald worden en is maximaal 7,2Mbit/s.
[
Voor 98% gewijzigd door
Verwijderd op 22-04-2004 22:54
]