• Opi
  • Registratie: Maart 2002
  • Niet online
Premisse 1. Op een zeker niveau heeft elk mens een consistent systeem.
Premisse 2. De wil tot geluk.

Opmerking bij Premisse 2.
Nietzsche gaat uit van de wil tot macht. De wil tot geluk zou hiervan ofwel een ondergeschikte zijn ofwel niet bestaan. In mijn optiek is de wil tot macht een onderdeel van de verzameling die de wil tot controle heet, die op zijn beurt weer een onderdeel is van de wil tot geluk. Merk op dat de wil tot controle enkel van toepassing is op dingen die relevant zijn voor het individu. De wil tot kennen zou dan ook weer een onderdeel zijn van de wil tot controle. Waar het spaak loopt (hier heeft Morgoth mij op gewezen) is dat de wil tot kennen ook de drang in zich heeft om te weten of een geliefde zich enkel voor diegene geeft of juist niet. Dit zou betekenen dat iemand gelukkig is wanneer deze weet of zijn of haar geliefde onwaardelijk liefde voor de ander heeft of niet; een mens zou dus gelukkiger zijn wanneer deze zeker weet dat zijn geliefde vreemd gaat. Er zit ofwel een fout in mijn idee, ofwel een fout in mijn opzet van verzamelingen, maar vooralsnog doe ik de aanname dat Premisse 2 geldig is.




Waar elk systeem bestaat uit een aantal premissen, verder bouwt op basis van verschillende argumenten en uiteindelijk resulteert in één of meerdere conclusies, is dit idee ook toe te passen op acties in het dagelijks leven. Hierbij kan men beginnen bij de conclusies en terugredeneren. De conclusies zijn hierbij te beschouwen als de huidige set van beweegredenen, principes, normen, waarden en/of overtuigingen die een individu heeft. Vervolgens kan men bij elk van voorgenoemde zichzelf het waarom ervan afvragen. Extrapoleren van verschillende van dergelijke beweegredenen heeft bij mij geleid tot het vermoeden dat bovenstaande premissen waar zijn.

Maar zoals aangenomen wordt (ik weet namelijk nog steeds niet of het bewezen is) is gelukkig zijn een subjectieve staat, wat zou moeten betekenen dat elk mens dat gelukkig is bepaalde premissen heeft. Maar hoe nu, kan men zichzelf in de ogen kijken wanneer men aannames doet die men niet anders kan verdedigen dan door te zeggen 'ik vind dat nu eenmaal'?

Een andere vraag die ik mijzelf stel is 'wanneer moet je ophouden met het vragen naar het 'waarom''? Gaat hier Premisse 1 op? Aangezien ik mijzelf niet voor kan stellen dat men gelukkig is wanneer men door 2 strijdige aannames van binnen verscheurd wordt.

Een aannemelijke vervolgvraag is in hoeverre deze dwang tot rationalisatie te sturen is; de meeste mensen kunnen zware filosofische vraagstukken na een tijdje naast zich neerleggen, terwijl sommigen er een persoonlijke queeste van maken waarbij ze blijven malen en bij elk moment dat niet hun volledige aandacht behoeft, de overigen 'aandacht' dwangmatig besteden aan het oplossen van de vraag. Gaat het hierbij om het sturen van denkprocessen; is het dus een actief proces of is het iets dat het (onder)bewustzijn regelt en bij de laatst genoemde groep van slag is? Wellicht staat deze laatste alinea los van de eerdere vragen omdat hij zich net iets meer op het psychologische vlak afspeelt, maar dit is iets wat zich gedurende het topic hopelijk wel zal ophelderen.

  • Karel V
  • Registratie: November 2003
  • Laatst online: 18-12-2025

Karel V

Een simpele ziel

OpifexMaximus schreef op 18 april 2004 @ 21:42:
Premisse 1. Op een zeker niveau heeft elk mens een consistent systeem.
Premisse 2. De wil tot geluk.
Is premisse hetzelfde als stelling? Anders weet ik niet wat het betekent.
Zowiezo is premisse 1 waar, maar daar zeg je in feite net zo veel mee als wanneer je stelt dat een boom takken heeft.
Opmerking bij Premisse 2.
Nietzsche gaat uit van de wil tot macht. De wil tot geluk zou hiervan ofwel een ondergeschikte zijn ofwel niet bestaan. In mijn optiek is de wil tot macht een onderdeel van de verzameling die de wil tot controle heet, die op zijn beurt weer een onderdeel is van de wil tot geluk. Merk op dat de wil tot controle enkel van toepassing is op dingen die relevant zijn voor het individu. De wil tot kennen zou dan ook weer een onderdeel zijn van de wil tot controle. Waar het spaak loopt (hier heeft Morgoth mij op gewezen) is dat de wil tot kennen ook de drang in zich heeft om te weten of een geliefde zich enkel voor diegene geeft of juist niet. Dit zou betekenen dat iemand gelukkig is wanneer deze weet of zijn of haar geliefde onwaardelijk liefde voor de ander heeft of niet; een mens zou dus gelukkiger zijn wanneer deze zeker weet dat zijn geliefde vreemd gaat. Er zit ofwel een fout in mijn idee, ofwel een fout in mijn opzet van verzamelingen, maar vooralsnog doe ik de aanname dat Premisse 2 geldig is.
In welk verband moet ik zien dat Nietzsche uitgaat van de wil tot macht?
Is dat zijn grondgedachte? Zoiets van: dat streeft ieder mens na.
Ik denk wel dat elk mens naar een zekere mate van macht streeft, maar ik denk dat dat heel individueel afhankelijk is. En bij elk mens dus weer heel verschillend, bij de een weegt geluk meer, bij de ander macht, rijkdom, eer etc. Ik denk niet dat de wil tot geluk niet zou bestaan. Wel geef ik Nietzsche gelijk dat mensen eerder geneigd zijn naar macht dan geluk. Ook ben ik het met je eens dat de wil tot macht voort komt uit de wil tot controle, anderzijds kun je ook stellen dat dit eigenlijk hetzelfde is. Maar met het voorbeeld ben ik het niet helemaal eens, maar dat is dan vanuit mijn individuele mening gezien. Persoonlijk zou ik ongelukkiger zijn als ik weet dat mijn (toekomstige) geliefde vreemd gaat, dan wanneer ik nog hoop heb dat zij misschien toch niet is vreemd gegaan.
[...]

Maar zoals aangenomen wordt (ik weet namelijk nog steeds niet of het bewezen is) is gelukkig zijn een subjectieve staat, wat zou moeten betekenen dat elk mens dat gelukkig is bepaalde premissen heeft. Maar hoe nu, kan men zichzelf in de ogen kijken wanneer men aannames doet die men niet anders kan verdedigen dan door te zeggen 'ik vind dat nu eenmaal'?
Als iemand iets vind of aannames doet, dan is dat altijd op basis van ervaringen. Het kan goed zijn dat mensen die niet goed weten iets uit te leggen, niet precies weten waarom ze iets zo zien daarom iets stellen op basis van: dat vind ik nu eenmaal. Daar is op zich niets mis mee, je mening kun je altijd wijzigen, maar dat hangt ervan af of er goede onderbouwde argumenten tegenover staan. Je moet gewoon een basis hebben, waarop je je mening baseert, het is dus helemaal niet erg als je op basis daarvan jezelf in de ogen kijkt ;) .
Een andere vraag die ik mijzelf stel is 'wanneer moet je ophouden met het vragen naar het 'waarom''? Gaat hier Premisse 1 op? Aangezien ik mijzelf niet voor kan stellen dat men gelukkig is wanneer men door 2 strijdige aannames van binnen verscheurd wordt.
Ja hier gaat permissie 1 op, je moet gewoon grenzen stellen. Al weet je dat ze tegenstrijdig zijn, dan nog, totdat er iets beters voor in de plaats komt. Het vragen naar het waarom is heel individueel, de een zal daarin veel verder gaan dan de ander die daarvoor weer veel nuchterder is (liever lol dan nadenken over hoe en wat, sommigen vinden dat veel te vermoeiend). Het vragen naar het waarom is dus heel relatief. Voor elke persoon is dat weer anders, daar kun je dus geen echte grenzen voor vast stellen.
[...]
Mischien zouden je stellinge wat specifieker moeten zijn, wat je nu allemaal zegt is zo breed, dat er eigenlijk moeilijk over op in te discusieren valt. Mischien zou je een wat meer omleinde stelling kunnen lanceren. Gelukkig geeft de uitleg rond permissie 2 genoeg stof tot discussie.

The old Lie: Dulce et Decorum est Pro patria mori


  • Christiaan
  • Registratie: Maart 2001
  • Laatst online: 09-08-2021
Volgens mij vraag je nu gewoon wat mensen gelukkig maakt. Zoals ik al eerder gezegd heb is dat volgens mij een subjectieve staat die volgt als mensen hun doelen bereiken. Hoe ze die doelen stellen is dan een andere vraag. Ze doen dat volgens mij omdat ze denken dat ze van die doelen gelukkig zullen worden. Ik kom er later op terug - moet er nu vandoor.

Wat is overigens het argument waar deze premissen deel van zouden moeten zijn?