Is dat zo?
----------------
Laten we even voorop stellen dat ik absoluut geen specialist ben op dit gebied. Toch heb ik wel wat vraagtekens bij het stuk van Tegmark waar jij naar linkt. Argumenten van 'heel groot' naar 'oneindig' gaan volgens mij niet op; maar Tegmark lijkt vrolijk uit "space as we know it continues far beyond the edge of our observable universe, teeming with galaxies, stars and planets" af te leiden dat het dan allemaal ook maar oneindig moet zijn. Oneindig is best heel groot. De vraag die wij graag beantwoord willen zien is of deze oneindigheid in principe ook maar een enkele observationele consequentie heeft die het van een eindig vlak, of een zeer groot eindig gekromd universum zou onderscheiden.
Op pagina 5, 1e kolom, staat een redenatie die die moet aantonen, maar die ik onnavolgbaar vind. Tegmark begint als volgt:
As a more serious example, the Level I multiverse framework is routinely used to rule out theories in modern cosmology, although this is rarely spelled out explicitly.
Wat blijkt echter, voor zover ik het argument begrijp? Kosmologen gebruiken probabilistische redeneringen over ensembles van mogelijke universa. "Gegeven een kansverdeling over alle mogelijkheden die theorie T toestaat, is de kans dat we A waarnemener zeer klein; we nemen A waar; dus theorie T is zeer waarschijnlijk onwaar." Maar dit is helemaal geen toepassing van het mulitverse framework, aangezien een redenatie over ensembles ons absoluut niet dwingt om het daadwerkelijk bestaan van alle mogelijkheden aan te nemen. Tegmarks redenering zou ook toegepast kunnen worden op de statistische fysica, en zou dan zeggen dat er wel een oneindig groot vat gas moet bestaan, omdat we statistische fysica bedrijven op ensembles van mogelijke vaten gas! Wat Tegmark heeft te laten zien, gezien zijn beroep op Popper, is niet dat een specifieke multiverse-theorie weerlegd kan worden - dat gelooft iedereen wel. Wat hij moet laten zien is dat er een beslissing genomen kan worden tussen multiverse-theorieen en niet-multiverse-theorieen
als zodanig - maar dat doet hij niet. De vraag staat dus nog steeds overeind waarom ik zoiets als een oneindig universum zou aannemen.
De vraag die met het lezen van het stuk steeds nijpender wordt is deze: In hoeverre word ik genoodzaakt door de successen van een theorie op gebied A ook haar conclusies op gebied B te accepteren? Aangenomen dat chaotische inflatie problemen in de kosmologie van ons universum oplost, moet ik dan ook de conclusies van chaotische inflatie accepteren met betrekking tot andere zaken dan ons universum? Laten we niet vergeten dat we hier te maken hebben met een zeer specualtief onderzoeksgebied, met een stuk wetenschap waarvan hele delen op drijfzand gebaseerd zijn. Ik noem bijvoorbeeld de supersnaartheorie, die ook in het artikel wordt genoemd: een groot deel van de fysische gemeenschap ziet hier weinig heil in, en ook al is men er al decennia mee bezig, een observationeel toegankelijke voorspelling heeft het hele project nog niet opgeleverd. Hoe het in de kosmologie zit zou ik zo niet weten, maar ik zou er toch de nadruk op willen leggen dat theorieen als chaotische inflatie gebouwd zijn op quantumveldentheorie en andere hoge-energie fysica waarvan het maar helemaal de vraag is of we deze realistisch moeten interpreteren. (En zo ja: hoe dit mogelijkerwijs zou kunnen.) Om vanuit deze bijzonder esoterische en conceptueel problematische theorieen, waarvan zelfs niemand weet hoe je ze realitsisch
kan interpreteren, met behulp van dubieuze redeneermethoden als de antropische principes conclusies te trekken over het al dan niet bestaan van bijzonder heldere en macroscopische entiteiten als een overaftelbare oneindigheid van parallelle universa met willekeurige natuurwetten(!) - nu, dat gaat mij wat ver. Ik kies resoluut voor het Aristotelische perspectief dat op pagina 12 tegenover het Platonische wordt gezet, en bovendien vermoed ik dat bijna iedereen mij daarin zal volgen.
Maar het laatste deel van het artikel gaat niet alleen ver, het is zelfs absolute waanzin. Het begint met de vraag
waarom juist deze vergelijkingen? Het is goed om ons af en toe te realiseren dat het feit dat je een vraag kan stellen nog niet impliceert dat het een zinvolle vraag met een antwoord is; en zoals iedereen weet kan je altijd wel 'waarom?' blijven vragen. Tegmark lijkt hier een foundationalistisch project te willen uitvoeren: hij wil alle kennis grondvesten op iets dat absoluut zeker is. Helaas kan ik hem daar helemaal niet meer volgen. (Overigens wil ik graag een fout op pagina 13 onder de aandacht brengen. Een mathematische structuur is
niet equivalent aan een formeel systeem; voor een argumentatie verwijs ik graag naar mijn essay '
Gödel and the gap in mathematics'.) Laten we eens kijken wat hij doet:
Let us now digest the idea that physical world is a mathematical structure. Although traditionally taken for granted by many theoretical physicists, this is a deep and far-reaching notion. It means that mathematical equations describe not merely some limited aspects of the physical world, but all aspects of it.
Wat moet ik me er
in godsnaam bij voorstellen dat onze wereld een wiskundige structuur
is? Je kan de wereld met behulp van wiskunde beschrijven. Ik kan me zelfs voorstellen dat je de - naar mijn mening volstrekt foutieve - stelling aanhangt dat je de wereld volledig kan beschrijven met een bepaald wiskundig model dat door de ultieme natuurwetenschap is ontdekt. Maar hoe ik me de stap van beschrijving naar equivalentie moet voorstellen ontgaat me volkomen. Een wiskundige structuur is iets van fundamenteel andere aard dan onze wereld. Zo is het denkbaar dat onze wereld niet zou bestaan, terwijl het niet denkbaar is dat een bepaalde consistente wiskundige structuur niet bestaat - simpelweg omdat fysische en mathematische entiteiten hele andere criteria voor 'bestaan' hebben. En dat komt omdat het volstrekt andere dingen zijn. Een stoel is
niet hetzelfde als een beschrijving van een stoel, hoe goed die beschrijving ook is. Tegmark lijkt te vergeten dat een beschrijving altijd een beschrijving
van iets is, en dat een beschrijving en dat wat beschreven wordt
niet hetzelfde zijn. Tegmark laat zien hoe de wereld beschreven zou kunnen worden door een mathematische structuur, en claimt dan triomfantelijk (p.14): "our example illustrates the idea of how our physical world can
be a mathematical structure". Maar dat doet hij dus helemaal niet: zoals gezegd laat hij alleen maar zien hoe onze wereld
beschreven kan worden door een mathematische structuur, niet hoe zij er een kan
zijn. Ze kunnen ook helemaal niet hetzelfde zijn, want een mathematische structuur is niet geïnterpreteerd, en kan alleen door een interpretatie gerelateerd worden aan een fysische structuur. Eén en dezelfde mathematische structuur kan in principe op heel veel, of op geen enkele, manier fysisch geïntepreteerd worden. De relatie tussen mathematische en fysische structuren is absoluut niet één-op-één.
In other words, this particular mathematical structure enjoys not only mathematical existence, but physical existence as well.
Hij ziet dus in dat een mathematische structuur iets anders is dan de fysische wereld, want a) een mathematische structuur heeft noodzakelijk 'mathematical existence', en b) een fysische wereld heeft noodzakelijk 'physical existence', maar omgekeerd geldt dat niet. Er is
dus een fundamenteel verschil tussen een fysische wereld en een mathematische structuur, en ze kunnen dus niet hetzelfde zijn. Maar Tegmark gaat hier helemaal niet op in, en claimt nu dat alle mathematische structuren fysische werkelijkheid zijn!
Het
allerminste wat hij moet doen om deze claim overeind te houden is laten zien dat elke mathematische structuur minstens 1 fysische interpretatie heeft, en ook precies 1 geprefereerde. Alleen dan is de identificatie van mathematische en fysische structuren überhaupt betekenisvol. Maar dit, wat mij het centrale probleem voor Tegmark op Level IV lijkt, roert hij niet eens aan. Dat vind ik onbegrijpelijk. Voor mij is het wel een reden alles wat hij op lagere Levels heeft gezegd ook met een korreltje zout te nemen.
Ik wil er nogmaals op wijzen dat ik
niet gekwalificeerd ben om de fysische claims van Tegmark te beoordelen. Maar ik denk dat ik wel twee filosofische argumenten heb gegeven die grote vraagtekens zetten bij wat hij op Level I en Level IV doet. (Waarmee ik niet wil zeggen dat ik het op Level II en Level III met hem eens ben.) Het lijkt me overduidelijk dat er geen enkele reden is om het bestaan van alle wiskundig mogelijke universa te accepteren en zelfs alle reden dit niet te doen. Mijn argumenten met betrekking tot de oneindigheid van ons universum zijn minder beslissend, en komen vooral neer op een methodlogische twijfel of hier wel een beslissing over geveld kan worden. Tegmarks artikel heeft mij hier niet van overtuigd.