Ik wil wel een poging doen om het uit te leggen:
In de wisselstroomtheorie worden de spanning en de stroom voorgesteld door vectoren, waarbij de horizontale as de reeële as is en de vertikale de imaginaire as.
Afhankelijk van de belasting kan de stroom gelijklopen(een zuiver ohmse weerstand als belasting) ,voorlopen (capacitatieve belasting, een condensator) of nalopen(inductieve belasting, een spoel) op de stroom. phi is de hoek die de stroom naloopt op de spanning.
vb:

Hier staat een inductieve belasting(is meestal het geval bij een elektrische machine), de stroom I loop een hoek phi achter op de spanning. De aangesloten machine kan niet alle stroom die erdoor gaat gebruiken om arbeid te leveren, alleen de projectie van I op de U-vector(hier de x-as) wordt gebruikt. Het actief vermogen is dan is dan U * I * cos(phi), dit is hetgeen effectief gebruikt wordt(en ook hetgeen je aangerekend krijgt op je factuur).
Maar de volledige stroom gaat wel door de bedrading, en veroorzaakt dus opwarming/verlies.
Daarom zijn bedrijven contractueel eraan gehouden door de energiemaatschappij om phi redelijk klein te houden, of maw de cos(phi) redelijk groot (minstens 0,8 dus). Komen ze op een lagere arbeidsfactor krijgen ze daar een extra rekening voor gepresenteerd. Daarom hebben bedrijven met veel machines/motoren/transfo's een (aantal) grote condensatoren(=extra capacitatieve belasting) staan om de stroomvector dichter bij de spanningsvector te krijgen, en dus de cos(phi) te vergroten.
cos(phi)=1 zou het ideale geval zijn waarbij alle stroom daadwerkelijk gebruikt wordt en er in feite een zuiver ohmse belasting is voor het elektriciteitsnet.
misschien duidelijker, maar dat is dus niet waar de vraag over gaat
[
Voor 12% gewijzigd door
The Bad Seed op 08-12-2003 00:16
]