Ik ben er nu bijna door het boek Zen en de kunst van het motorounderhouden ik blijf nog met een vraag zitten.
Ik zal proberen om (ook voor mezelf
) de zaken op een rijtje te zetten:
Bij de opkomst van de natuurwetenschappen is waarneming altijd de drijfveer geweest om op ontdekking uit te gaan. Proberen een natuurkundige beschrijving te vinden van processen die je om je heen ziet en die in een dusdanig model te gieten dat het model aansluit bij de waarnemingen en bruikbaar is om berekeningen mee te kunnen doen.
Op een gegeven moment schrijft Pirsig in hoofdstuk 22 dat in het eerste kwart van de 19e eeuw Lobatsjeweski een meetkunde opstelde die klopte, maar strijdig was met het 5e postulaat van Euclides: door een punt zijn geen 2 evenwijdige lijnen te trekken.
In een poging om aan te tonen dat het 5e postulaat niet kon worden herleidt tot eenvoudiger axioma's, draaide Lobatsjeweski het postulaat om door te stellen dat door een punt wél 2 evenwijdige lijnen kunnen worden getrokken (een aanname die haaks staat op onze eigen waarneming). Vervolgens zette hij dus een meetkunde op die wel klopte maar strijdig was met de meetkunde van Euclides.
En later komt Riemann met een meetkunde zonder inwendige tegenspraak, maar die strijdig is met zowel de meetkunde van Lobatsjeweski én ook nog met het 1e axioma van Euclides: er gaat maar één rechte lijn door 2 punten.
Dan komt het: Pirsig schrijft dat volgens de relativiteitstheorie de meetkunde van Riemann de beste beschrijving is van onze werkelijkheid.
De vraag waar ik nu mee zit is:
Hoe kan de Riemann meetkunde die in mijn ogen kunstmatig is, het beste onze werkelijkheid beschrijven?
Met kunstmatig bedoel ik dat die meetkunde expres bedacht is door een deel van de bestaande Euclidische meetkunde om te draaien en niet ontstaan is uit waarnemingen.
Ik heb nog een goede 100 bladzijden te gaan en ik weet dus niet of Pirsig hier nog op terugkomt, maar de vraag houd me bezig.
Ik zal proberen om (ook voor mezelf
Bij de opkomst van de natuurwetenschappen is waarneming altijd de drijfveer geweest om op ontdekking uit te gaan. Proberen een natuurkundige beschrijving te vinden van processen die je om je heen ziet en die in een dusdanig model te gieten dat het model aansluit bij de waarnemingen en bruikbaar is om berekeningen mee te kunnen doen.
Op een gegeven moment schrijft Pirsig in hoofdstuk 22 dat in het eerste kwart van de 19e eeuw Lobatsjeweski een meetkunde opstelde die klopte, maar strijdig was met het 5e postulaat van Euclides: door een punt zijn geen 2 evenwijdige lijnen te trekken.
In een poging om aan te tonen dat het 5e postulaat niet kon worden herleidt tot eenvoudiger axioma's, draaide Lobatsjeweski het postulaat om door te stellen dat door een punt wél 2 evenwijdige lijnen kunnen worden getrokken (een aanname die haaks staat op onze eigen waarneming). Vervolgens zette hij dus een meetkunde op die wel klopte maar strijdig was met de meetkunde van Euclides.
En later komt Riemann met een meetkunde zonder inwendige tegenspraak, maar die strijdig is met zowel de meetkunde van Lobatsjeweski én ook nog met het 1e axioma van Euclides: er gaat maar één rechte lijn door 2 punten.
Dan komt het: Pirsig schrijft dat volgens de relativiteitstheorie de meetkunde van Riemann de beste beschrijving is van onze werkelijkheid.
De vraag waar ik nu mee zit is:
Hoe kan de Riemann meetkunde die in mijn ogen kunstmatig is, het beste onze werkelijkheid beschrijven?
Met kunstmatig bedoel ik dat die meetkunde expres bedacht is door een deel van de bestaande Euclidische meetkunde om te draaien en niet ontstaan is uit waarnemingen.
Ik heb nog een goede 100 bladzijden te gaan en ik weet dus niet of Pirsig hier nog op terugkomt, maar de vraag houd me bezig.
Woof, woof, woof! That's my other dog imitation.