Ik heb hier voor me het levensbeschouwingsboek wat ik al 3 jaar op school gebruik "Zin Leren". Een aantal jaren geleden (ik geloof in het derde leerjaar) ging het over de zin van het leven. Daarbij werden een aantal mogelijke overtuigingen over de zin van het leven gegeven. (Zin van het leven is leren, gelukkig zijn of er is geen zin) Bij deze voorbeelden werden ook teksten gegeven van mensen die in een bepaalde gedachtenstroom zaten. Een tekst daarvan vind ik in het bijzonder tot nu toe de beste tekst over de zin van het leven. Het is de tekst van Wouter Kuyper voor de landelijke opstelwestrijd 1997. Hier is de tekst:
We zijn met ons allen lekker aan het bestaan zonder dat daarvoor enige plausibele reden is aan te wijzen. Er is geen schepper, ons bestaan is terug te leiden naar verschrikkelijk eenvoudige, naïeve systemen en principes. Er bestaat geen lot, geen spirituele genezing, geen telekinese, geen verlichting, geen verlossing, geen gevulde koeken, geen God, geen heilige maagd, geen Messias, geen graancirkels, geen aliens, geen Roswell, geen incident, geen roeping, geen occult iets, niets, helemaal niets, nul komma nul, nothing, niente. Alles is te beredeneren, de wetenschap zal zegevieren, het onverklaarbare verklaren, bekennen het onbekende te hebben berekend, het bestaan van onvoorspelbaarheid voorspellen, met overslaande stem verkondigen dat zij de X-factor met behulp van volledige inductie vaststelde op drie-PI-wortel-vijf-en een beetje en uiteindelijk empirisch theoretisch bewijzen dat zin een menselijk begrip is om te worden toegepast op het bestaan an sich.
Het is niet eerlijk, ik geloof dit allemaal, maar ik voel me net een rubberballtje dat rondstuitert in een betonnen kooi, zonder enige zin rondstuitert, afketsend volgens wiskundige vergelijkingen, oneindig, steeds maar weer van muur naar muur ketst. Een sluitend wereldbeeld, een mini-standaardmodel, zes betonnen vlakken, acht hoeken en ikzelf, een hulpeloos rubberballetje.
Dit kan niet, er moet iets meer zijn, ik ben een experimenteel rubberballetje en achter deze muren lopen onderzoekers rond in witte jassen. Het enige probleem is, dat ik daar nooit achter kom, want het begrip muur en het begrip achter zijn mij beide onbekend. Mijn wereld kent geen voorzetsels en ook geen muren. Ik stuiter maar wat rond. De suggestie dat er meer is, of meer zou kunnen zijn, ontstijgt mijn begrip. Aan dit gezever heb ik natuurlijk niets, het probleem is dat de vraag naar méér, naar aanleiding, naar zin, naar complotten, naar macht, naar of er iets achter de muren zit en wat dat dan wel zou kunnen zijn, nooit een antwoord zal opleveren. Niemand zal ooit met honderd procent zekerheid kunnen vaststellen dat er méér is, net zo min als iemand zou kunnen uitvinden wat er méér zou moeten zijn.
Maar ik kan natuurlijk ontkennen, ik kan gewoon zeggen: "Het is niet zo", wie zegt mij dat ik ongelijk heb, want ik weet wel wat er achter de muren is. En ik noem het GOD, dat is meteen handig, want die heeft al naamsbekendheid. Of ik ren naar de dichtsbijzijnde kerk en ik laat me vertellen wat er achter die muren is. Of ik laat mij inpakken door die man op straat, en bij een sekte verruil ik mijn eigen identiteit voor een pijnstiller of tien (tegelijk). Of ik geloof de man aan de deur die zegt dat hij alle antwoorden heeft en ga vervolgens elke avond in een zweterig zaaltje met medegetuigen zitten praten over hoe gemeen de buitenwereld wel niet is.
Ik kan natuurlijk accepteren, ik kan natuurlijk zeggen: 'Ik weet het niet", ik kan met geen mogelijkheid een antwoord geven op die vraag. ik dwing mijzelf tot bescheidenheid, ik zal de vraag stellen, maar geen antwoord verwachten en zeker niet forceren, laat staan verzinnen. Ik zal het hiermee moeten doen.
Het simpele feit is echter dat ik er erg veel plezier aan beleef, aan dat stuiteren. Ik word elke dag weer verrast door de manier waarop ik rondstuiter, ik ontdek elke dag iets nieuws. Ik vind het buitengewoon fijn om met oogkleppen voor, samen met mijn lotgenoten, de wereld te onderzoeken of gewoonweg te beleven.
En ik weiger domweg te speculeren.

Wouter uit zijn geachten in deze tekst op een prachtige manier. Hij beweert dat we met geen enkele mogelijkheid kunnen iets kunnen beweren over de metafysica. We kunnen überhaubt niet weten dat er een metafysica is, hoewel dit bijna wel moet. Ik kan me in dit standpunt wel vinden.
Dit topic is bedoeld voor het discussiëren over de tekst. Is het onmogelijk om iets over de metafysica te weten te komen? Is dit niet zo? Waarom dan wel? Is God inderdaad de man in de witte jas die ons bekijkt terwijl we rondstuiteren volgens wiskundige vergelijkingen.
We zijn met ons allen lekker aan het bestaan zonder dat daarvoor enige plausibele reden is aan te wijzen. Er is geen schepper, ons bestaan is terug te leiden naar verschrikkelijk eenvoudige, naïeve systemen en principes. Er bestaat geen lot, geen spirituele genezing, geen telekinese, geen verlichting, geen verlossing, geen gevulde koeken, geen God, geen heilige maagd, geen Messias, geen graancirkels, geen aliens, geen Roswell, geen incident, geen roeping, geen occult iets, niets, helemaal niets, nul komma nul, nothing, niente. Alles is te beredeneren, de wetenschap zal zegevieren, het onverklaarbare verklaren, bekennen het onbekende te hebben berekend, het bestaan van onvoorspelbaarheid voorspellen, met overslaande stem verkondigen dat zij de X-factor met behulp van volledige inductie vaststelde op drie-PI-wortel-vijf-en een beetje en uiteindelijk empirisch theoretisch bewijzen dat zin een menselijk begrip is om te worden toegepast op het bestaan an sich.
Het is niet eerlijk, ik geloof dit allemaal, maar ik voel me net een rubberballtje dat rondstuitert in een betonnen kooi, zonder enige zin rondstuitert, afketsend volgens wiskundige vergelijkingen, oneindig, steeds maar weer van muur naar muur ketst. Een sluitend wereldbeeld, een mini-standaardmodel, zes betonnen vlakken, acht hoeken en ikzelf, een hulpeloos rubberballetje.
Dit kan niet, er moet iets meer zijn, ik ben een experimenteel rubberballetje en achter deze muren lopen onderzoekers rond in witte jassen. Het enige probleem is, dat ik daar nooit achter kom, want het begrip muur en het begrip achter zijn mij beide onbekend. Mijn wereld kent geen voorzetsels en ook geen muren. Ik stuiter maar wat rond. De suggestie dat er meer is, of meer zou kunnen zijn, ontstijgt mijn begrip. Aan dit gezever heb ik natuurlijk niets, het probleem is dat de vraag naar méér, naar aanleiding, naar zin, naar complotten, naar macht, naar of er iets achter de muren zit en wat dat dan wel zou kunnen zijn, nooit een antwoord zal opleveren. Niemand zal ooit met honderd procent zekerheid kunnen vaststellen dat er méér is, net zo min als iemand zou kunnen uitvinden wat er méér zou moeten zijn.
Maar ik kan natuurlijk ontkennen, ik kan gewoon zeggen: "Het is niet zo", wie zegt mij dat ik ongelijk heb, want ik weet wel wat er achter de muren is. En ik noem het GOD, dat is meteen handig, want die heeft al naamsbekendheid. Of ik ren naar de dichtsbijzijnde kerk en ik laat me vertellen wat er achter die muren is. Of ik laat mij inpakken door die man op straat, en bij een sekte verruil ik mijn eigen identiteit voor een pijnstiller of tien (tegelijk). Of ik geloof de man aan de deur die zegt dat hij alle antwoorden heeft en ga vervolgens elke avond in een zweterig zaaltje met medegetuigen zitten praten over hoe gemeen de buitenwereld wel niet is.
Ik kan natuurlijk accepteren, ik kan natuurlijk zeggen: 'Ik weet het niet", ik kan met geen mogelijkheid een antwoord geven op die vraag. ik dwing mijzelf tot bescheidenheid, ik zal de vraag stellen, maar geen antwoord verwachten en zeker niet forceren, laat staan verzinnen. Ik zal het hiermee moeten doen.
Het simpele feit is echter dat ik er erg veel plezier aan beleef, aan dat stuiteren. Ik word elke dag weer verrast door de manier waarop ik rondstuiter, ik ontdek elke dag iets nieuws. Ik vind het buitengewoon fijn om met oogkleppen voor, samen met mijn lotgenoten, de wereld te onderzoeken of gewoonweg te beleven.
En ik weiger domweg te speculeren.
Wouter uit zijn geachten in deze tekst op een prachtige manier. Hij beweert dat we met geen enkele mogelijkheid kunnen iets kunnen beweren over de metafysica. We kunnen überhaubt niet weten dat er een metafysica is, hoewel dit bijna wel moet. Ik kan me in dit standpunt wel vinden.
Dit topic is bedoeld voor het discussiëren over de tekst. Is het onmogelijk om iets over de metafysica te weten te komen? Is dit niet zo? Waarom dan wel? Is God inderdaad de man in de witte jas die ons bekijkt terwijl we rondstuiteren volgens wiskundige vergelijkingen.