16. Waarom gaat een paard bij bepaalde snelheden van nature over van stap naar draf en van draf naar galop?
A. Het paard zoekt bij een bepaalde snelheid steeds naar de gang met het laagste energieverbruik.
B. Bij de opeenvolgende gangen blijven de benen van het paard steeds langer aan de grond, waardoor het paard sneller gaat.
C. Biomechanisch is versnelling alleen mogelijk door van gang te veranderen.
17. Op een stille dag komt in het open veld een fanfarekorps op je af gemarcheerd. Aanvankelijk hoor je alleen de grote trom. Wat is daarvan de belangrijkste oorzaak?
A. De grote trom maakt het meeste lawaai.
B. De grote trom produceert de laagste tonen.
C. De grote trom loopt vooraan in het korps.
18. Wat kun je te weten komen als je een krekel hoort tjirpen?
A. Dat het gaat regenen.
B. Hoe laat het is.
C. Hoe warm het is.
19. Je hebt een boekje met een in aparte kaarten opgedeelde stadsplattegrond. De kaarten zijn 12 bij 20 centimeter. Als je een straat zoekt lijkt die vaker in de buurt van de rand van de kaart te liggen dan in het midden. Is dat toeval?
A. Nee, dat is geen toeval.
B. Ja, dat is toeval.
C. Dat hangt af van de overlap.
20. Hoeveel stippen die alle even ver van elkaar af liggen kun je maximaal op een bol kwijt?
A. 3.
B. 4.
C. 6.
A. Het paard zoekt bij een bepaalde snelheid steeds naar de gang met het laagste energieverbruik.
B. Bij de opeenvolgende gangen blijven de benen van het paard steeds langer aan de grond, waardoor het paard sneller gaat.
C. Biomechanisch is versnelling alleen mogelijk door van gang te veranderen.
17. Op een stille dag komt in het open veld een fanfarekorps op je af gemarcheerd. Aanvankelijk hoor je alleen de grote trom. Wat is daarvan de belangrijkste oorzaak?
A. De grote trom maakt het meeste lawaai.
B. De grote trom produceert de laagste tonen.
C. De grote trom loopt vooraan in het korps.
18. Wat kun je te weten komen als je een krekel hoort tjirpen?
A. Dat het gaat regenen.
B. Hoe laat het is.
C. Hoe warm het is.
19. Je hebt een boekje met een in aparte kaarten opgedeelde stadsplattegrond. De kaarten zijn 12 bij 20 centimeter. Als je een straat zoekt lijkt die vaker in de buurt van de rand van de kaart te liggen dan in het midden. Is dat toeval?
A. Nee, dat is geen toeval.
B. Ja, dat is toeval.
C. Dat hangt af van de overlap.
20. Hoeveel stippen die alle even ver van elkaar af liggen kun je maximaal op een bol kwijt?
A. 3.
B. 4.
C. 6.

