1. Waarom slaat bier in plastic glazen zo snel dood?
A. Plastic is waterafstotend.
B. Plastic neemt koolzuur op.
C. Plastic is altijd een beetje vet.
2. Wordt een vrouw van 75 kilo bij gelijke alcoholinname doorgaans sneller dronken dan een man van gelijk gewicht?
A. Ja, want het vrouwelijk lichaam bevat minder lichaamswater.
B. Nee, ze worden vrijwel even snel dronken.
C. Dat hangt af van het soort drank dat ze nuttigen.
3. Je drinkt een blikje frisdrank half leeg en brengt het restant van de frisdrank in het blikje aan de kook. Dan dompel je het blikje in zijn geheel snel ondersteboven in koud water. Wat gebeurt er?
A. De frisdrank spuit met kracht uit het blikje.
B. Het blikje ontploft.
C. Het blikje raakt sterk verwrongen.
4. Welk argument werd aan het einde van de Middeleeuwen gebruikt in de discussie over de vrije wil?
A. Dat een ezel tussen twee hooischelven niet verhongert.
B. Dat een ziel die uit het lichaam treedt haar identiteit behoudt.
C. Dat de onvrije wil geen wil kan zijn.
5. Je laat twee speelgoedautootjes met de neus naar voren van een schuinstaande plank af rollen. Van het ene autootje heb je de voorwielen geblokkeerd, van het andere de achterwielen. Hoe komen ze naar beneden?
A. Beide met de neus naar voren.
B. Beide met de geblokkeerde wielen naar achteren.
C. Beide met de geblokkeerde wielen naar voren.
A. Plastic is waterafstotend.
B. Plastic neemt koolzuur op.
C. Plastic is altijd een beetje vet.
2. Wordt een vrouw van 75 kilo bij gelijke alcoholinname doorgaans sneller dronken dan een man van gelijk gewicht?
A. Ja, want het vrouwelijk lichaam bevat minder lichaamswater.
B. Nee, ze worden vrijwel even snel dronken.
C. Dat hangt af van het soort drank dat ze nuttigen.
3. Je drinkt een blikje frisdrank half leeg en brengt het restant van de frisdrank in het blikje aan de kook. Dan dompel je het blikje in zijn geheel snel ondersteboven in koud water. Wat gebeurt er?
A. De frisdrank spuit met kracht uit het blikje.
B. Het blikje ontploft.
C. Het blikje raakt sterk verwrongen.
4. Welk argument werd aan het einde van de Middeleeuwen gebruikt in de discussie over de vrije wil?
A. Dat een ezel tussen twee hooischelven niet verhongert.
B. Dat een ziel die uit het lichaam treedt haar identiteit behoudt.
C. Dat de onvrije wil geen wil kan zijn.
5. Je laat twee speelgoedautootjes met de neus naar voren van een schuinstaande plank af rollen. Van het ene autootje heb je de voorwielen geblokkeerd, van het andere de achterwielen. Hoe komen ze naar beneden?
A. Beide met de neus naar voren.
B. Beide met de geblokkeerde wielen naar achteren.
C. Beide met de geblokkeerde wielen naar voren.