Linux gebruikt (net als Windows) een PATH variabele die alle directories bevat waarin naar executables moet worden gezocht. Wanneer je een commando intypt, zal Linux een voor een die directories langsgaan om te kijken of dat programma zich daar bevindt. Zo niet, dan krijg je de melding command not found.
Maar in tegenstelling tot Windows staat de huidige directory (ook wel aangeduid als .) niet standaard in het PATH. Daarom vindt Linux dnetc niet als je het zo intypt, ook al sta je in de goede directory.
Door ./path in te typen geef je een padnaam mee (net zoals je bv. /home/kookie/dnetc zou intypen), zodat Linux meteen weet waar de executable staat en 'ie niet meer in de PATH hoeft te zoeken.
Je kunt wel een . toevoegen aan PATH, zodat ook de huidige directory doorzocht wordt op executables, maar dit is uit veiligheidsoogpunt niet aan te raden.
"Pas als het proces gecrashed is, dumpt men de core"