Vanochtend kwam ik in de Volkskrant een interessant essay tegen over de wenselijkheid van religieuze inspiratie wat betreft de publieke moraal. Dit essay is geschreven naar aanleiding van een (overigens niet wetenschappelijke) enquete onder Amsterdamse studenten, over hun beleving van de aloude christelijke hoofdzonden. Het volgende citaat is een deel van dit artikel (ik heb geen zin om het helemaal over te typen, het is erg lang.)
de Volkskrant, zaterdag 29 juni 2002
Mijn stellingen (grotendeels terug te vinden in het artikel hierboven):
Het is in onze huidige maatschappij wenselijk een seculiere moraal te propageren, gebaseerd op het natuurlijke inlevingsvermogen en mededogen van mensen. De moraal zoals gepropageerd door de christelijke kerk is achterhaald en past niet goed meer bij onze maatschappij: Het is niet wenselijk de maatschappij te dwingen zich zodanig om te vormen (terug te vormen) dat deze weer bij die moraal past, de moraal moet toegestaan worden zich aan te passen aan onze seculiere maatschappij. Een moraal die met dwang (door angst voor goddelijke bestraffing of, wereldser, door dwang vanuit een regering) opgelegd wordt, is zowiezo inferieur aan een (seculiere) moraal die deze dwang niet kent. Dit omdat dwang alleen maar leidt tot slaafsheid, of juist tot opstandigheid, waar een moraal die gebaseerd is op principes die vanuit de mens zelf komen (zoals welbegrepen eigenbelang) die dwang niet nodig heeft.
bron: "Geen christendom, toch moraal" - Gert J. Peelende belangrijkste conclusie [van de enquete, CP] is dat de moderne moraal ten opzichte van die van vroeger gekanteld is: van vertikaal (zonde is: "God tekortdoen") naar horizontaal (zonde is "anderen tekortdoen"). Het morele besef is niet verdwenen, maar blijkt nagenoeg compleet geseculariseerd.
Illustratief zijn de uitkomsten bij "hoogmoed", de meest complexe hoofdzonde van de zeven. Opvallen is dat geen van de ondervraagden hoogmoed nog vertaalt in de oorspronkelijke, traditioneel-bijbelse zin: als hoogmoed jegens God. Wanneer hoogmoed in hedendaagse termen wordt ingevuld als fundamentalisme, heerszucht, grootheidswaan en arrogantie, dan blijkt de afkeer hiervan groot. Wordt hoogmoed echter vertaald als ambitie, autonomie en assertiviteit, dan oogst het voornamelijk bijval.
Deze dubbele uitkomst lijkt indicatief voor de hedendaagse van God en religie losgezongen moraal. Mijn vrijheid is een groot goed, dat laat ik me niet zomaar afpakken. Maar mijn vrijheidsdrang en ambities dienen halt te houden waar zij die van anderen dreigen te belemmeren, bijvoorbeeld door die anderen mijn wil op te leggen. De geseculariseerde publieke moraal van vandaag neigt in de richting van een weloverwogen combinatie tussen "trouw zijn aan jezelf" en "respect voor de ander".
Stel nu dat het inderdaad meevalt met de publieke moraal, dan betekent dit dat zo'n moraal het best zonder druk van dominee of pastoor kan stellen. Sterker nog: een publeike moraal zonder religieuze sancties is op termijn zelfs beter af.
Dat laatste is niet zozeer en kwestie van inhoud als wel van poresentatie. De christelijke zedenleer was vooral een opgelegde moraal. Naleving ervan erd afgedwongen met het bekende: omdat God (lees: ik) het wil. En dsat werkte zowel slaafsheid als kwajongensachtig escapisme in de hand. CDA-oprichter Piet Steenkamp verwoordde deze als
"typisch katholiek" bekend staande mentaliteit aldus: "Alles wat meneer pastoor niet uitdrukkelijk heeft verboden, is toegestaan".
De basis voor zo'n opgelegde moraal is te vinden in het bijbelboek Genesis. Adam en Eva mochten van alle vruchten eten, behalve van die van de boom van kennis van goed en kwaad. Zoals bekend, lapten zij als aandrang van een sprekende slang dit gebod aan hun laars. Volgens de bijbel en zijn gelovige uitleggers door de eeuwen henhebben wij alle ongerief dat het leven in dit ondermaanse sindsdien vergalt, aan deze ene daad van ongehoorzaamheid te wijten.
Maar waarom, in godsnaam, formuleerde God dit onzi9nnige gebod? Omdat - zo luidt het traditioneel-theologische argument - de mens zich na het eten ervan zelf God, of aan God gelijk, zou wanen. Dat wil zeggen: benul zou krijgen van wat goed is en wat kwaad.En dat zou een uiting van ultieme hoogmoed zijn; een van de zeven hoofdzonden, zoals we zagen.
Maar juist dit ene paradijslijke gebod geeft te denken wanneer we het over moraal hebben. De eerste mensen werden letterlijk onbevoegd verklaard zelf afwegingen te maken tussen goed en kwaad. Die veroordeling tot onmondigheid heeft een hoop ellende teweeggebracht en doet dat, voor zover gelovigen onberedeneerd gehoor geven aan religieuze leefregels, nog steeds. In de plaats van morele zelfbeschikking kwamen angst en slaafse gehoorzaamheid, en die zijn gnuikend voor de ontwikkeling van moreel besef.
De mens blijkt, ook zonder geloof in God en Diens straffende Hand, wonderwel in staat tot een zelfstandige afweging tussen goed en kwaad. Dit wil niet zeggen dat hij op grond daarvan ook steeds voor het goede kiest. Maar het betekent wél een definitieve breuk met die vermeende "geneigdheid tot alle kwaad", die in de christelijke traditie eeuwenlang het argument bij uitstek is geweest waarmee gelovigen onder de duim gehouden werden. Welbeschouwd is een publieke moraal zonder dit soort religieus gefundeerde repressieve noties beter af, dat hebben Adam en Eva destijds dus goed gezien.
Moreel besef heeft veel, zo niet alles, met het menselijke bewustzijn te maken. Het is gefundeerd in de unieke optie tot terugblikken en anticiperen, in de mogelijkheid de consequenties vna het eigen gedrag en dat van anderen in te schatten en vooral ook in de mogelijkheid jezelf in een ander te herkennen.
De morele basis is in feite geen andere dan een welbegrepen eigenbelang: wat u niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet. Het kan ook positief geformuleerd: Wie goed doet, goed ontmoet. Maar de drijfveren om je er ook werkelijk aan te houden, blijven dezelfde: inlevingsvermogen en mededogen.
de Volkskrant, zaterdag 29 juni 2002
Mijn stellingen (grotendeels terug te vinden in het artikel hierboven):
Het is in onze huidige maatschappij wenselijk een seculiere moraal te propageren, gebaseerd op het natuurlijke inlevingsvermogen en mededogen van mensen. De moraal zoals gepropageerd door de christelijke kerk is achterhaald en past niet goed meer bij onze maatschappij: Het is niet wenselijk de maatschappij te dwingen zich zodanig om te vormen (terug te vormen) dat deze weer bij die moraal past, de moraal moet toegestaan worden zich aan te passen aan onze seculiere maatschappij. Een moraal die met dwang (door angst voor goddelijke bestraffing of, wereldser, door dwang vanuit een regering) opgelegd wordt, is zowiezo inferieur aan een (seculiere) moraal die deze dwang niet kent. Dit omdat dwang alleen maar leidt tot slaafsheid, of juist tot opstandigheid, waar een moraal die gebaseerd is op principes die vanuit de mens zelf komen (zoals welbegrepen eigenbelang) die dwang niet nodig heeft.