Mij is onderlaatst iets overkomen dat me blijft achtervolgen. Een voorvalletje, dat wederom voor een zwarte bladzijde in m'n levensboek heeft gezorgd. Het lijkt iets onbenulligs, maar op de één of andere manier heeft het, iedere keer als ik eraan terugdenk, een hele nare bijsmaak en kan ik er absoluut geen vrede mee hebben. Het monster blijft aan m'n geweten knagen en herinnert me iedere keer wéér aan de zelfzuchtige neiging, diep in m'n bestaan geworteld, die zo nu en dan en op de meest onverwachte momenten de kop opsteekt.
(als je geen zin hebt in het beklag van een mens die aan z'n 'zonden' is ontdekt, stop direct met lezen; het zal je toch niet interesseren)
Het gebeurde twee weken geleden.
In de ban van een tele-objectief (lens voor fotocamera) vertrek ik op een vrijdagmiddag met de auto richting Utrecht om het door mij gewilde stuk gereedschap aan te schaffen. Het is een gebruikt objectief dat naar verhouding voor een redelijke prijs te koop staat. Op internet had ik 'em al zeker 3 weken in de prijslijsten zien staan, dus voor mij reden genoeg om het optiekje eens concreet van dichtbij te bekijken.
Ik rij Utrecht binnen en kom vlak voor de Daalsetunnel erachter dat ik beter via de Berekuil het centrum van Utrecht had kunnen benaderen. Immers, de winkel waar ik moet zijn, ligt niet ver van de Maliebaan, waar ik m'n karretje neer had kunnen zetten (wat ik dus ook wel vaker doe).
Nou goed, dan maar via Hoog Catharijne de stad in.
Loop ik daar, met m'n camerabody in een opgevouwen plastic tas, op het trottoir langs het Vredenburgplein, word ik door een onbekende man op een fiets nietsvermoedend van achteren benaderd. Zomaar. Opeens vanuit het niets.
De man verontschuldigd zich voor het feit dat hij me aanspreekt zonder mij eerst aan te kijken. En vooruitlopend op de gedachte dat ik wel eens overvallen zou kunnen worden, neemt hij de vermeende twijfel weg door te zeggen dat hij geen kwade bedoelingen heeft en me enkel om een gunst wil vragen.
Al goed, ik kijk de man al wandelend met een vluchtige blik aan - ergens in de 40, halflang krulletjeshaar, niet-al-te-verzord gelaat, donkere jas, voorovergebogen op een naar mijn idee nog-net-functionerende opoefiets.
Hij vertelt me op een ...laat ik zeggen... nogal professionele en geloofwaardige wijze dat hij in een tijdelijke noodsituatie zit (geen werk dus) en geen geld van zichzelf heeft om de aankomende nacht op een fatsoenlijke manier door te brengen. Ondertussen heeft hij al een euro bij elkaar gesprokkeld, maar, zoals vanzelfsprekend, hij komt nog wat tekort. Na nog een heel verhaal vraagt hij ten slotte of ik niet voor één keertje m'n hand over m'n hart wil strijken.
Dat zet me in sneltreinvaart aan het denken.
Ten eerste valt het me op dat de man mij op een allervriendelijkste manier voor het gesprek uitnodigt. Geen teken van twijfel of ik wel of niet op z'n verzoek in zou gaan, is in z'n woorden te bekennen. Hij staat wat dat betreft geheel open voor een situatie, waarvan hij de afloop niet kent (ik op dat moment ook niet). Maar... het kan ook een truukje zijn.
Ten andere sluit ik voor mezelf al uit dat het in ieder geval geen alcoholist is. Anders had ik het wel geroken. Hij fietst immers behoorlijk dicht naast me. Wellicht dat het een drugsverslaafde is, maar dat lijkt me zo op het eerste gezicht ook onwaarschijnlijk.
Ten derde is zijn niet te misverstane, scherpzinnige taalgebruik van een dusdanig niveau, dat ik me niet aan de indruk kan onttrekken dat de beste man ooit een behoorlijke opleiding heeft genoten. Dit laatste punt wordt het aanknopingspunt voor de tegenvraag aan m'n fietsende gesprekspartner.
Ik zeg zo: "Nou meneer, ik ben er vast van overtuigt dat iemand met zo'n vlotte babbel als u heeft niet aan het werk zou kunnen komen. Er is immers nog werk genoeg."
Meneer op de fiets: "Ja, maar ik heb NU geen werk; vroeger wel, maar NU niet."
Ik: "Hebt u dan geen uitkering?"
Meneer op de fiets: "Nee, want ik heb geen vaste verblijfplaats."
Ik (overweldigd door het antwoord en even zo gauw niet wetend wat hierop te zeggen): stilte.
Ik denk na en overweeg op grond van zijn 'wijze' manier van spreken zijn verzoek te verwerpen.
"Nee, sorry meneer. Ik vind dat u best kunt werken voor uw geld." Er achteraan denkend: lomperd! Zorg dan dat je zaakjes in orde zijn.
De ogenschijnlijk vriendelijke meneer rijdt zonder iets te zeggen verder op z'n gammele fiets richting marktplein en ik loop rechtdoor - einde gesprek.
Al lopend richting Nagtegaalstraat overzie ik in gedachten de situatie nog eens en begin pas écht na te denken over de genomen beslissing. Was het wel goed wat je deed? Ach, je had gelijk, die vent was heus niet achterlijk. Dat hoorde je toch? Maar als hij nu wél in een noodsituatie zit? Misschien niet zo dramatisch als hij deed vermoeden, maar wellicht reden genoeg om op-straat-lopende mensen op een bijzonder nette en betrokken manier te vragen om een gunst. Dat maak je immers niet iedere dag mee! Maar waarom moet mij dat uitgerekend NU overkomen, als ik voornemens ben een relatief grote koop te doen.
Wel een verschil, hoor. Ik, die zo rijk ben, dat de Belastingdienst gemachtigd is binnenkort een leuk bedrag van m'n spaarrekening af te schrijven, tegenover een man op een halfbrakke fiets die van zichzelf nog geen rooie eurocent heeft om een warme maaltijd te betalen. Natuurlijk kan dat zijn eigen schuld wezen. Maar misschien was de situatie inderdáád wel hopeloos. Ik stel me zo voor: man druk met werk/minimaal inkomen - vrouw met kids - leuke buurman - man moet overwerken - vrouw bij buurman - man betrapt vrouw op overspel - langdurige scheiding - kids met trauma - vrouw met buurman op onbekende bestemming - man in de goot.
M'n geweten draait weer op volle toeren en tot overmaat van ramp herinner ik me een passage uit de film 'Les Miserables' dat een tijdje geleden op een zondagavond op tv kwam. Niet eens zozeer een 'uitzonderlijk christelijke' film op een niet eens christelijke zender, maar de betreffende passage, aan het begin van de film, heeft m'n hart gebroken. De kern van het christelijk geloof kwam zó treffend en in alle eenvoud erin tot uiting, dat de beelden en gesproken woorden me sindsdien niet meer verlaten hebben. Ook nu niet.
Voor diegenen die de film en met name het betreffende stukje niet kennen:
de film speelt zich een eeuw of 2 geleden af en gaat over een fransman, Jean Valjean (of zoiets - gespeeld door Liam Neeson), die in z'n jonge jaren op een klein vergrijp wordt betrapt. Daarvoor wordt hij veroordeeld tot 20 jaar gevangenis, alwaar hij opwast tot een fysiek zéér krachtig man, maar mentaal, onder invloed van de heersende gevangenis-cultuur, hoogst verdorven raakt.
Na 20 jaren komt hij vrij en bezit feitelijk niet meer dan een stel kleren. Overal klopt hij aan, maar wordt nergens ontvangen. Ten slotte gaat hij maar het zwerversleven in en slaapt op een bankje. Door een onbekende wordt hij erop gewezen dat hij aan één deur nog niet heeft geklopt. Een deur van een enorm huis waarvan hijzelf denkt tóch niet ontvangen te zullen worden (er wonen immers rijke mensen die per definitie tóch al niks met de lagere bevolkingsklassen te maken willen hebben). Op aandringen van de onbekende klopt hij toch aan. De deur gaat open en een vriendelijke oude man laat hem binnen.
Hij schuift op uitnodiging van de oude man en zijn vrouw achter een bord rijk gevulde soep en eet als een bezetene met een glimmende, zilveren lepel zijn bord leeg. Het valt hem op dat die lepel wel érg opgepoetst is. En dat is niet alles; het hele huis staat vol met mooie dingen die veel waard zijn. In gedachten smeedt hij een plannetje om al dat moois om te zetten naar geld.
Ondertussen vraagt hij zichzelf af waarom die mensen hem binnenlieten. Het is immers geen vanzelfsprekend iets. Op zijn vraag of de gastheer en zijn vrouw niet bang zijn door hem vermoord te worden, stelt de oude man hem precies dezelfde vraag. Gezamenlijk komen ze tot de slotsom dat het een kwestie van onderling vertrouwen is.
's Nachts, als iedereen slaapt, behalve Jean Valjean, gaat hij op roverspad in het huis van zijn gastheer en vult een jutenzak vol met het mooie bestek en een aantal andere waardevolle spullen. De oude man wordt wakker van het gestommel en gaat op onderzoek uit. Daar ontdekt hij dat z'n gast hem in zijn eigen huis berooft. De dief en de eigenaar zien elkaar en Jean Valjean verkoopt de oude man een mep tegen z'n hoofd. De oude man valt bewusteloos neer op de grond.
De dief gaat er met een volle zak vandoor, maar wordt de volgende dag door plaatselijke dienders opgepakt. Op hun vraag waar al dat moois vandaan komt, antwoordt hij dat hij de spullen van de oude man heeft gekregen. Ter controle brengen ze hem bij de oude man en op de vraag of de inhoud van de jutenzak inderdaad is geschonken, antwoord de oude man tot ieders verassing: "Ja, ik heb ze aan hem gegeven." ...verbazing ten top... "Maar hij is nog wat vergeten..." en geeft Jean Valjean nog wat van z'n waardevolle spullen.
Iedereen is overdondert, maar Jean Valjean nog het meest. Wie had dát immers durven dromen? Hij begrijpt er helemaal niks van!
Op zijn vraag aan de oude man waarom hij hem dit aandoet, grijpt de man hem bij z'n schouders, kijkt hem diep in de ogen en zegt: "Vanaf nu begin jij een nieuw leven. Je oude leven is voorbij gegaan, want ik geef je terug aan God."
Jean Valjean staat perplex en ziet door deze ervaringen de harde waarheid van de oude man in. Hij staat bij de oude man in het krijt. Vanaf nu zóu hij inderdaad een nieuw leven beginnen. Wel een leven vol strijd tegen oude en verkeerde begeerten. Maar bovenal een leven waarin hij die oude man, als type van Christus, voor altijd als voorbeeld zou stellen voor z'n eigen leven.
Tot zover de film.
Ik vergelijk de situatie die ik zojuist meemaakte met de passage uit de film en kom tot de schokkende ontdekking dat ik geen enkele reden had om het verzoek van die arme man op z'n fiets te weigeren! Ik, die zo rijk ben in vergelijking met die man, die toch niet vanzelf in zo'n situatie is belandt! Wie ben ik om m'n medemens te onthouden van één van z'n levensbehoeften als hij er heel gewoon om vraagt! Mij kost die éne roteuro niks van m'n leven. Die man zal er vast en zeker veel méér waarde aan hechten als hij z'n leven ermee kan bekostigen. Zometeen ga ik er 750 stuks in één keer uitgeven, terwijl ik op voorhand al weet dat het me absoluut geen extra levensgeluk zal geven. Met wroeging in m'n geweten sta ik plotseling voor de foto-speciaalzaak.
De tele-lens zie ik op een stelling in de etalage staan. Ja, dat is 'em. Wat een klein ding eigenlijk! En dát moet zoveel kosten?!?! Zullen de kosten wel opwegen tegen de baten? Zo'n reguliere fotograaf ben ik nou óók weer niet! Ach, wat maakt het uit, ik heb toch al zoveel, dus dat objectief kan er dan ook wel vanaf. Want als ik 'em niet koop, zit ik thuis weer op plaatjes te kwijlen die ik hád kunnen schieten áls ik die lens had gekocht. Ja maar... heb je dat ding nu wel écht nodig? - tweestrijd tussen geweten en hebzucht - Zoveel geld dat je ook op een andere, veel rijkere manier kunt besteden. Je bent er zojuist nog mee geconfronteerd!
Na veel wikken en wegen besluit ik om de lens maar niet te kopen - ik ga niet eens naar binnen - en na de onomstotelijke conclusie dat ik fout zit, ga ik met gemengde gevoelens weer naar huis. M'n zelfzuchtige verlangens worden niet vervult (of moet ik eigenlijk zeggen: aangevuld) als 'straf' op het tekort aan naastenliefde.
Ondertussen zoek ik naar argumenten die m'n beslissing bijstaan. Ik kan ze niet vinden, want ze wegen bij lange na niet op tegen de argumenten van de onvoorwaardelijke liefde.
Nu, twee weken later, laat het me nog steeds niet koud. Maar nu het is anders. Dankbaarheid is de laatste tijd het woord dat m'n gedachten met regelmaat passeert. Dankbaar voor het gezonde leven dat ik leidt, ondanks z'n regelmatige mentale 'downs'. Dankbaar voor het feit dat m'n maatschappelijke positie ver van 'de goot' gelegen is. Dankbaar voor zorgzame ouders en de vrienden om me heen. Dankbaar voor het feit dat m'n leven een geschenk is waar pijn en moeite voor genomen is. Waarom besef ik dit alles zo bitter weinig?
Ik kom tot het voornemen dat, áls ik die man ooit weer tegenkom (of iemand anders die me in z'n nood persoonlijk benadert), ik hem zonder pardon zal geven wat hij nodig heeft. Nee, méér dan dat. Ik zal hem, net als in bovengenoemde film, overdonderen met een vloed aan vertrouwen en hem van harte gewillig maken de geschonken middelen met beleid en gemotiveerd te gebruiken. Zolang ikzelf geen gebrek heb, op wat voor gebied dan ook, is het niet nodig m'n medemens te ontzien. Uiteindelijk zal ik aan het eind van m'n leven de zogenaamde 'eigen' bezittingen óók maar los moeten laten. En dat kan morgen al zijn!
Het klinkt haast overmoedig. Zo niet belachelijk. Maar ik durf de uitdaging aan. De man op de fiets durfde in volledige overgave zijn vertrouwen in mij te stellen, terwijl ik, nota bene mezelf als christen identificerend, hem alleen maar wantrouwde en als gevolg daarvan de conversatie snel afkapte. Ik had zoveel méér kunnen doen! Die man zou eens moeten weten...
Nu weet ik gelukkig beter. 'k Vraag me alleen af hoelang ik stand hou
Is er iemand die dit (ook als niet-christen uiteraard) herkent? Je zult ongetwijfeld wel een keer met een zwerver of een junk of met welke onbekende medemens in nood dan ook onverwacht in aanraking zijn gekomen, maar hoe reageerde je erop? Welke invulling gaf je aan de situatie? En had je er vrede mee?
Kortom: welke betekenis heeft het begrip naastenliefde voor jou persoonlijk?
(als je geen zin hebt in het beklag van een mens die aan z'n 'zonden' is ontdekt, stop direct met lezen; het zal je toch niet interesseren)
Het gebeurde twee weken geleden.
In de ban van een tele-objectief (lens voor fotocamera) vertrek ik op een vrijdagmiddag met de auto richting Utrecht om het door mij gewilde stuk gereedschap aan te schaffen. Het is een gebruikt objectief dat naar verhouding voor een redelijke prijs te koop staat. Op internet had ik 'em al zeker 3 weken in de prijslijsten zien staan, dus voor mij reden genoeg om het optiekje eens concreet van dichtbij te bekijken.
Ik rij Utrecht binnen en kom vlak voor de Daalsetunnel erachter dat ik beter via de Berekuil het centrum van Utrecht had kunnen benaderen. Immers, de winkel waar ik moet zijn, ligt niet ver van de Maliebaan, waar ik m'n karretje neer had kunnen zetten (wat ik dus ook wel vaker doe).
Nou goed, dan maar via Hoog Catharijne de stad in.
Loop ik daar, met m'n camerabody in een opgevouwen plastic tas, op het trottoir langs het Vredenburgplein, word ik door een onbekende man op een fiets nietsvermoedend van achteren benaderd. Zomaar. Opeens vanuit het niets.
De man verontschuldigd zich voor het feit dat hij me aanspreekt zonder mij eerst aan te kijken. En vooruitlopend op de gedachte dat ik wel eens overvallen zou kunnen worden, neemt hij de vermeende twijfel weg door te zeggen dat hij geen kwade bedoelingen heeft en me enkel om een gunst wil vragen.
Al goed, ik kijk de man al wandelend met een vluchtige blik aan - ergens in de 40, halflang krulletjeshaar, niet-al-te-verzord gelaat, donkere jas, voorovergebogen op een naar mijn idee nog-net-functionerende opoefiets.
Hij vertelt me op een ...laat ik zeggen... nogal professionele en geloofwaardige wijze dat hij in een tijdelijke noodsituatie zit (geen werk dus) en geen geld van zichzelf heeft om de aankomende nacht op een fatsoenlijke manier door te brengen. Ondertussen heeft hij al een euro bij elkaar gesprokkeld, maar, zoals vanzelfsprekend, hij komt nog wat tekort. Na nog een heel verhaal vraagt hij ten slotte of ik niet voor één keertje m'n hand over m'n hart wil strijken.
Dat zet me in sneltreinvaart aan het denken.
Ten eerste valt het me op dat de man mij op een allervriendelijkste manier voor het gesprek uitnodigt. Geen teken van twijfel of ik wel of niet op z'n verzoek in zou gaan, is in z'n woorden te bekennen. Hij staat wat dat betreft geheel open voor een situatie, waarvan hij de afloop niet kent (ik op dat moment ook niet). Maar... het kan ook een truukje zijn.
Ten andere sluit ik voor mezelf al uit dat het in ieder geval geen alcoholist is. Anders had ik het wel geroken. Hij fietst immers behoorlijk dicht naast me. Wellicht dat het een drugsverslaafde is, maar dat lijkt me zo op het eerste gezicht ook onwaarschijnlijk.
Ten derde is zijn niet te misverstane, scherpzinnige taalgebruik van een dusdanig niveau, dat ik me niet aan de indruk kan onttrekken dat de beste man ooit een behoorlijke opleiding heeft genoten. Dit laatste punt wordt het aanknopingspunt voor de tegenvraag aan m'n fietsende gesprekspartner.
Ik zeg zo: "Nou meneer, ik ben er vast van overtuigt dat iemand met zo'n vlotte babbel als u heeft niet aan het werk zou kunnen komen. Er is immers nog werk genoeg."
Meneer op de fiets: "Ja, maar ik heb NU geen werk; vroeger wel, maar NU niet."
Ik: "Hebt u dan geen uitkering?"
Meneer op de fiets: "Nee, want ik heb geen vaste verblijfplaats."
Ik (overweldigd door het antwoord en even zo gauw niet wetend wat hierop te zeggen): stilte.
Ik denk na en overweeg op grond van zijn 'wijze' manier van spreken zijn verzoek te verwerpen.
"Nee, sorry meneer. Ik vind dat u best kunt werken voor uw geld." Er achteraan denkend: lomperd! Zorg dan dat je zaakjes in orde zijn.
De ogenschijnlijk vriendelijke meneer rijdt zonder iets te zeggen verder op z'n gammele fiets richting marktplein en ik loop rechtdoor - einde gesprek.
Al lopend richting Nagtegaalstraat overzie ik in gedachten de situatie nog eens en begin pas écht na te denken over de genomen beslissing. Was het wel goed wat je deed? Ach, je had gelijk, die vent was heus niet achterlijk. Dat hoorde je toch? Maar als hij nu wél in een noodsituatie zit? Misschien niet zo dramatisch als hij deed vermoeden, maar wellicht reden genoeg om op-straat-lopende mensen op een bijzonder nette en betrokken manier te vragen om een gunst. Dat maak je immers niet iedere dag mee! Maar waarom moet mij dat uitgerekend NU overkomen, als ik voornemens ben een relatief grote koop te doen.
Wel een verschil, hoor. Ik, die zo rijk ben, dat de Belastingdienst gemachtigd is binnenkort een leuk bedrag van m'n spaarrekening af te schrijven, tegenover een man op een halfbrakke fiets die van zichzelf nog geen rooie eurocent heeft om een warme maaltijd te betalen. Natuurlijk kan dat zijn eigen schuld wezen. Maar misschien was de situatie inderdáád wel hopeloos. Ik stel me zo voor: man druk met werk/minimaal inkomen - vrouw met kids - leuke buurman - man moet overwerken - vrouw bij buurman - man betrapt vrouw op overspel - langdurige scheiding - kids met trauma - vrouw met buurman op onbekende bestemming - man in de goot.
M'n geweten draait weer op volle toeren en tot overmaat van ramp herinner ik me een passage uit de film 'Les Miserables' dat een tijdje geleden op een zondagavond op tv kwam. Niet eens zozeer een 'uitzonderlijk christelijke' film op een niet eens christelijke zender, maar de betreffende passage, aan het begin van de film, heeft m'n hart gebroken. De kern van het christelijk geloof kwam zó treffend en in alle eenvoud erin tot uiting, dat de beelden en gesproken woorden me sindsdien niet meer verlaten hebben. Ook nu niet.
Voor diegenen die de film en met name het betreffende stukje niet kennen:
de film speelt zich een eeuw of 2 geleden af en gaat over een fransman, Jean Valjean (of zoiets - gespeeld door Liam Neeson), die in z'n jonge jaren op een klein vergrijp wordt betrapt. Daarvoor wordt hij veroordeeld tot 20 jaar gevangenis, alwaar hij opwast tot een fysiek zéér krachtig man, maar mentaal, onder invloed van de heersende gevangenis-cultuur, hoogst verdorven raakt.
Na 20 jaren komt hij vrij en bezit feitelijk niet meer dan een stel kleren. Overal klopt hij aan, maar wordt nergens ontvangen. Ten slotte gaat hij maar het zwerversleven in en slaapt op een bankje. Door een onbekende wordt hij erop gewezen dat hij aan één deur nog niet heeft geklopt. Een deur van een enorm huis waarvan hijzelf denkt tóch niet ontvangen te zullen worden (er wonen immers rijke mensen die per definitie tóch al niks met de lagere bevolkingsklassen te maken willen hebben). Op aandringen van de onbekende klopt hij toch aan. De deur gaat open en een vriendelijke oude man laat hem binnen.
Hij schuift op uitnodiging van de oude man en zijn vrouw achter een bord rijk gevulde soep en eet als een bezetene met een glimmende, zilveren lepel zijn bord leeg. Het valt hem op dat die lepel wel érg opgepoetst is. En dat is niet alles; het hele huis staat vol met mooie dingen die veel waard zijn. In gedachten smeedt hij een plannetje om al dat moois om te zetten naar geld.
Ondertussen vraagt hij zichzelf af waarom die mensen hem binnenlieten. Het is immers geen vanzelfsprekend iets. Op zijn vraag of de gastheer en zijn vrouw niet bang zijn door hem vermoord te worden, stelt de oude man hem precies dezelfde vraag. Gezamenlijk komen ze tot de slotsom dat het een kwestie van onderling vertrouwen is.
's Nachts, als iedereen slaapt, behalve Jean Valjean, gaat hij op roverspad in het huis van zijn gastheer en vult een jutenzak vol met het mooie bestek en een aantal andere waardevolle spullen. De oude man wordt wakker van het gestommel en gaat op onderzoek uit. Daar ontdekt hij dat z'n gast hem in zijn eigen huis berooft. De dief en de eigenaar zien elkaar en Jean Valjean verkoopt de oude man een mep tegen z'n hoofd. De oude man valt bewusteloos neer op de grond.
De dief gaat er met een volle zak vandoor, maar wordt de volgende dag door plaatselijke dienders opgepakt. Op hun vraag waar al dat moois vandaan komt, antwoordt hij dat hij de spullen van de oude man heeft gekregen. Ter controle brengen ze hem bij de oude man en op de vraag of de inhoud van de jutenzak inderdaad is geschonken, antwoord de oude man tot ieders verassing: "Ja, ik heb ze aan hem gegeven." ...verbazing ten top... "Maar hij is nog wat vergeten..." en geeft Jean Valjean nog wat van z'n waardevolle spullen.
Iedereen is overdondert, maar Jean Valjean nog het meest. Wie had dát immers durven dromen? Hij begrijpt er helemaal niks van!
Op zijn vraag aan de oude man waarom hij hem dit aandoet, grijpt de man hem bij z'n schouders, kijkt hem diep in de ogen en zegt: "Vanaf nu begin jij een nieuw leven. Je oude leven is voorbij gegaan, want ik geef je terug aan God."
Jean Valjean staat perplex en ziet door deze ervaringen de harde waarheid van de oude man in. Hij staat bij de oude man in het krijt. Vanaf nu zóu hij inderdaad een nieuw leven beginnen. Wel een leven vol strijd tegen oude en verkeerde begeerten. Maar bovenal een leven waarin hij die oude man, als type van Christus, voor altijd als voorbeeld zou stellen voor z'n eigen leven.
Tot zover de film.
Ik vergelijk de situatie die ik zojuist meemaakte met de passage uit de film en kom tot de schokkende ontdekking dat ik geen enkele reden had om het verzoek van die arme man op z'n fiets te weigeren! Ik, die zo rijk ben in vergelijking met die man, die toch niet vanzelf in zo'n situatie is belandt! Wie ben ik om m'n medemens te onthouden van één van z'n levensbehoeften als hij er heel gewoon om vraagt! Mij kost die éne roteuro niks van m'n leven. Die man zal er vast en zeker veel méér waarde aan hechten als hij z'n leven ermee kan bekostigen. Zometeen ga ik er 750 stuks in één keer uitgeven, terwijl ik op voorhand al weet dat het me absoluut geen extra levensgeluk zal geven. Met wroeging in m'n geweten sta ik plotseling voor de foto-speciaalzaak.
De tele-lens zie ik op een stelling in de etalage staan. Ja, dat is 'em. Wat een klein ding eigenlijk! En dát moet zoveel kosten?!?! Zullen de kosten wel opwegen tegen de baten? Zo'n reguliere fotograaf ben ik nou óók weer niet! Ach, wat maakt het uit, ik heb toch al zoveel, dus dat objectief kan er dan ook wel vanaf. Want als ik 'em niet koop, zit ik thuis weer op plaatjes te kwijlen die ik hád kunnen schieten áls ik die lens had gekocht. Ja maar... heb je dat ding nu wel écht nodig? - tweestrijd tussen geweten en hebzucht - Zoveel geld dat je ook op een andere, veel rijkere manier kunt besteden. Je bent er zojuist nog mee geconfronteerd!
Na veel wikken en wegen besluit ik om de lens maar niet te kopen - ik ga niet eens naar binnen - en na de onomstotelijke conclusie dat ik fout zit, ga ik met gemengde gevoelens weer naar huis. M'n zelfzuchtige verlangens worden niet vervult (of moet ik eigenlijk zeggen: aangevuld) als 'straf' op het tekort aan naastenliefde.
Ondertussen zoek ik naar argumenten die m'n beslissing bijstaan. Ik kan ze niet vinden, want ze wegen bij lange na niet op tegen de argumenten van de onvoorwaardelijke liefde.
Nu, twee weken later, laat het me nog steeds niet koud. Maar nu het is anders. Dankbaarheid is de laatste tijd het woord dat m'n gedachten met regelmaat passeert. Dankbaar voor het gezonde leven dat ik leidt, ondanks z'n regelmatige mentale 'downs'. Dankbaar voor het feit dat m'n maatschappelijke positie ver van 'de goot' gelegen is. Dankbaar voor zorgzame ouders en de vrienden om me heen. Dankbaar voor het feit dat m'n leven een geschenk is waar pijn en moeite voor genomen is. Waarom besef ik dit alles zo bitter weinig?
Ik kom tot het voornemen dat, áls ik die man ooit weer tegenkom (of iemand anders die me in z'n nood persoonlijk benadert), ik hem zonder pardon zal geven wat hij nodig heeft. Nee, méér dan dat. Ik zal hem, net als in bovengenoemde film, overdonderen met een vloed aan vertrouwen en hem van harte gewillig maken de geschonken middelen met beleid en gemotiveerd te gebruiken. Zolang ikzelf geen gebrek heb, op wat voor gebied dan ook, is het niet nodig m'n medemens te ontzien. Uiteindelijk zal ik aan het eind van m'n leven de zogenaamde 'eigen' bezittingen óók maar los moeten laten. En dat kan morgen al zijn!
Het klinkt haast overmoedig. Zo niet belachelijk. Maar ik durf de uitdaging aan. De man op de fiets durfde in volledige overgave zijn vertrouwen in mij te stellen, terwijl ik, nota bene mezelf als christen identificerend, hem alleen maar wantrouwde en als gevolg daarvan de conversatie snel afkapte. Ik had zoveel méér kunnen doen! Die man zou eens moeten weten...
Nu weet ik gelukkig beter. 'k Vraag me alleen af hoelang ik stand hou
Is er iemand die dit (ook als niet-christen uiteraard) herkent? Je zult ongetwijfeld wel een keer met een zwerver of een junk of met welke onbekende medemens in nood dan ook onverwacht in aanraking zijn gekomen, maar hoe reageerde je erop? Welke invulling gaf je aan de situatie? En had je er vrede mee?
Kortom: welke betekenis heeft het begrip naastenliefde voor jou persoonlijk?