Het moge duidelijk zijn. Om het overzicht een beetje te bewaren heb ik de 20 vragen van de Nationale Wetenschapsquiz 2001 ingedeelt in 4 blokken van elk 4 of 6 vragen.
Hou het een beetje helder en overzichtelijk aub.
De vragen
Vraag 15: De astrologie wordt niet tot de wetenschap gerekend. Welk van de volgende argumenten is daarin doorslaggevend?
a. De astrologie maakt gebruik van onzichtbare krachten.
b. De uitspraken die de astrologie doet zijn niet toetsbaar.
c. Astrologen verklaren onjuist gebleken voorspellingen met hun bestaande theorie.
Vraag 16: Je hebt twee vislijnen, een lange en een korte. Welke zal bij een ruk van een grote vis het gemakkelijkste breken?
a. De lange.
b. De korte.
c. Maakt niet uit.
Vraag 17: In een teil water drijft een groot houtblok met daarop vastgelijmd een baksteen. Je draait het houtblok om, zodat de baksteen onder water aan het blok hangt. Wat gebeurt er met het waterpeil?
a. Het daalt.
b. Het stijgt.
c. Het blijft gelijk.
Vraag 18: Wat is het evolutionaire voordeel van smalle heupen bij de man?
a. Snel bochten kunnen nemen.
b. Efficiënt kunnen lopen.
c. Hoog kunnen springen.
Vraag 19: Wat biedt de beste verklaring voor het feit dat vliegtuigen kunnen vliegen?
a. De flogiston-theorie van Stahl.
b. De wetten van Newton.
c. Het lift-principe van Bernoulli.
Vraag 20: Welke vijver is het meest geschikt om dienst te doen als spiegel?
a. Een heldere vijver met een donkere bodem.
b. Een heldere vijver met een witte bodem.
c. Een troebele vijver.
Hou het een beetje helder en overzichtelijk aub.
De vragen
Vraag 15: De astrologie wordt niet tot de wetenschap gerekend. Welk van de volgende argumenten is daarin doorslaggevend?
a. De astrologie maakt gebruik van onzichtbare krachten.
b. De uitspraken die de astrologie doet zijn niet toetsbaar.
c. Astrologen verklaren onjuist gebleken voorspellingen met hun bestaande theorie.
Vraag 16: Je hebt twee vislijnen, een lange en een korte. Welke zal bij een ruk van een grote vis het gemakkelijkste breken?
a. De lange.
b. De korte.
c. Maakt niet uit.
Vraag 17: In een teil water drijft een groot houtblok met daarop vastgelijmd een baksteen. Je draait het houtblok om, zodat de baksteen onder water aan het blok hangt. Wat gebeurt er met het waterpeil?
a. Het daalt.
b. Het stijgt.
c. Het blijft gelijk.
Vraag 18: Wat is het evolutionaire voordeel van smalle heupen bij de man?
a. Snel bochten kunnen nemen.
b. Efficiënt kunnen lopen.
c. Hoog kunnen springen.
Vraag 19: Wat biedt de beste verklaring voor het feit dat vliegtuigen kunnen vliegen?
a. De flogiston-theorie van Stahl.
b. De wetten van Newton.
c. Het lift-principe van Bernoulli.
Vraag 20: Welke vijver is het meest geschikt om dienst te doen als spiegel?
a. Een heldere vijver met een donkere bodem.
b. Een heldere vijver met een witte bodem.
c. Een troebele vijver.


