Op zondag 23 september 2001 15:07 schreef Reyn_Eaglestorm het volgende:
5 jaar geleden bij Natuurkunde in de 6e klas Gymnasium werd ons geleerd dat zelfs bewegende materie als golffunkties gezien kunnen worden. Daarmee werden ook de elektronenbanen uitgelegd en waarom die zo stabiel waren. In bepaalde banen zou immers het elektron zichzelf opheffen doordat zijn eigen golflengte in tegenfase met zichzelf is in het volgende rondje. In de banen waar ze wel zitten, versterken ze zichzelf.
Dat kan natuurlijk ook betekenen dat er ook wel elektronen in de "foute" banen zitten, maarja, die elektronen heffen zichzelf op dus kan je ze niet waarnemen...
Deze discussie is een typisch voorbeeld van het door elkaar halen van twee totaal verschillende dingen, nl: de beschrijving van de werkelijkheid en de werkelijkheid.
Maar wat meer specifiek:
Je 6 VWO theorie is een typisch voorbeeld van oplichterij, mbt. de quantummechanica. Als je het electron ziet als een deeltje dat rond de kern draait, dan zou die kern straling en dus energie moeten uitzenden (bewegende lading genereert een magnetisch veld (5 VWO)). De uitgestraalde energie moet ergens vandaan komen, en de snelheid van het electron is de enige bron. Daardoor zou de straal van de baan kleiner wordt, totdat het electron op de kern stort.
Conclusie: Een electron draait geen rondjes rond een kern. Wat doet ie dan wel?
Om dit probleem te vangen in vergelijkingen (beschrijven dus) heeft Schroedinger zijn beroemde vergelijking GEPONEERD. Dit betekent dat er dus geen afleiding is. De interpretatie van de vergelijking is ontzettend moeilijk, en voor de meeste real-life situatie kunnen we de oplossingen niet eens uitrekenen.
Nu is het zo dat als je de bekende oplossingen van de schroedinger vergelijking kijkt, ze heel erg veel lijken op de golven in de klassieke golftheorieen. Daarom praten we vaak over golven in deze context, maar de beste omschrijving is volgens mij, dat we te maken hebben met wavicles (wave-particles).
De meest waarschijnlijke "correcte" fysische interpretatie van de oplossing van de schroedinger vergelijking is echter die van een kansverdeling: Hoe groter de amplitude van de golf op de plaats dat ik meet, hoe groter de kans dat ik het electron hier meet.
Waar deze hele discussie om gaat is de vergelijking van de oplossingen van de schroedinger vergelijking met de klassieke werkelijkheid. Niet doen, dat is geen win-win situatie. Iets wat duidelijk geen golf is kun je ook niet als golf interpreteren. Daarom dachten we vroeger immers dat het een deeltje was.