Mijn vraag
13. Bij een bepaald spel gebruikt men een dobbelsteen met zes vlakken waarbij er meer dan één vlak is met zes ogen. Femke berekent de kans op viermaal een zes gooien als volgt:
P(X=4)=(154)⋅(23)4⋅(13)11P(X = 4) = \binom{15}{4} \cdot \left(\frac{2}{3}\right)^4 \cdot \left(\frac{1}{3}\right)^{11}P(X=4)=(415)⋅(32)4⋅(31)11
a) Hoeveel keer heeft Femke met de dobbelsteen gegooid?
b) Hoeveel vlakken met zes ogen bevat de dobbelsteen?
13. Bij een bepaald spel gebruikt men een dobbelsteen met zes vlakken waarbij er meer dan één vlak is met zes ogen. Femke berekent de kans op viermaal een zes gooien als volgt:
P(X=4)=(154)⋅(23)4⋅(13)11P(X = 4) = \binom{15}{4} \cdot \left(\frac{2}{3}\right)^4 \cdot \left(\frac{1}{3}\right)^{11}P(X=4)=(415)⋅(32)4⋅(31)11
a) Hoeveel keer heeft Femke met de dobbelsteen gegooid?
b) Hoeveel vlakken met zes ogen bevat de dobbelsteen?