Ik wil iets voorleggen als gedachte experiment. Geen productidee en ook niet “dit is de oplossing”, maar een idee waar ik al een tijd mee rondloop en waarvan ik me afvraag of het ergens hout snijdt.
Ik blijf hangen bij de vraag wat er nog kan werken als communicatie echt onder druk komt te staan. Niet bij een kleine storing, maar in een worst‑case scenario waarin internet en mobiele netwerken praktisch niet meer bruikbaar zijn. Tegelijk zou zo’n fallback zo laagdrempelig moeten zijn dat iedereen met een gewone smartphone ermee overweg kan, zonder voorbereiding of extra hardware.
Bij grote storingen zie je eigenlijk al een voorproefje van zo’n scenario. Communicatie valt dan niet volledig uit, maar wordt wel praktisch onbruikbaar: netwerken raken overbelast, berichten komen veel later aan of helemaal niet, en centrale infrastructuur wordt ineens een knelpunt. Dat patroon zie je terug bij drukke evenementen, landelijke storingen en andere situaties waarin het systeem tegen zijn grenzen loopt.
Mijn eerste gedachte ging richting mesh‑netwerken. Dat klinkt logisch, maar in de praktijk wordt het al snel complex. Routing, energieverbruik, schaalbaarheid, het vraagt veel van apparaten en gebruikers, en daarmee verdwijnt juist de eenvoud die je in zo’n noodscenario nodig hebt. Dat bracht me bij de vraag of het nog simpeler kan.
De kern van het idee is vrij rechttoe rechtaan. Stel je voor dat elke smartphone een kleine hoeveelheid korte tekstberichten kan bewaren. Geen media, geen chatgeschiedenis, alleen losse berichten. Wanneer twee mensen elkaar tegenkomen, wisselen hun telefoons die berichten uit. Daarna bewegen ze weer verder, ontmoeten anderen, en gebeurt hetzelfde opnieuw. Berichten verplaatsen zich zo letterlijk met mensen mee door een stad.
Dat is traag, en dat is ook precies de bedoeling. Als alles normaal werkt, is zo’n systeem nutteloos; dan is elk bestaand netwerk beter. Maar als bellen, data en zelfs SMS praktisch niet meer werken, wordt “een bericht dat later aankomt” ineens interessanter dan “een bericht dat nooit aankomt”.
Belangrijk daarbij is dat berichten zich niet onbeperkt verspreiden. Als elk bericht bij elke ontmoeting zou worden gekopieerd, raakt het systeem snel verstopt. Denk aan een supermarkt: twintig mensen, twintig kopieën, en binnen korte tijd draagt iedereen hetzelfde mee. Opslag raakt vol en relevante informatie verdwijnt tussen duplicaten.
In dit idee werkt dat anders. Elk bericht start met een klein aantal ‘doorgeef‑munten’. Zo’n munt hoort bij het bericht en kan maar op één plek tegelijk bestaan. Wanneer twee telefoons elkaar tegenkomen, kan het bericht één‑op‑één worden doorgegeven: het bericht en één munt verhuizen samen naar de volgende telefoon. De vorige drager is die munt kwijt.
Het gevolg is dat het bericht niet wordt vermenigvuldigd, maar zich verplaatst. Er zijn nooit meer actieve dragers dan het aantal munten waarmee het bericht begon. Die dragers kunnen het bericht blijven doorgeven zolang ze mensen tegenkomen, maar het aantal blijft gelijk. Het bericht groeit dus niet, het schuift alleen door.
Daardoor worden drukke plekken vanzelf minder belangrijk. Je hebt geen massa nodig, maar spreiding. Een paar mensen die zich door verschillende delen van de stad bewegen zijn waardevoller dan veel mensen die allemaal op dezelfde plek blijven. Het bericht volgt mobiliteit, niet dichtheid.
Wat mij hielp om dit te plaatsen, was terugdenken aan corona. Toen zag je ook dat drukke plekken vooral voor lokale verspreiding zorgden, maar dat de echte verspreiding tussen wijken en steden vooral kwam doordat een beperkt aantal mensen zich verplaatste: woon‑werkverkeer, OV, familiebezoek. Het ging minder om hoeveel mensen je zag, en meer om wie zich tussen groepen bewoog. In dit idee wordt datzelfde mechanisme benut, maar dan bewust afgeremd.
Dit betekent ook niet dat elk bericht automatisch bij iedereen terechtkomt. In de basis zijn er twee soorten. Sommige berichten zijn algemeen en bedoeld als informatie voor wie ze tegenkomt, zoals “hier is water beschikbaar”. Andere berichten zijn gericht aan één specifieke persoon, bijvoorbeeld een simpele check‑in; alleen die ontvanger krijgt daar een melding van. Voor iedereen anders blijft zo’n bericht onzichtbaar en wordt het hooguit tijdelijk meegedragen.
Identiteit speelt daarbij een beperkte rol. Elk toestel heeft een vaste digitale identiteit zodat je kunt zien dat berichten van dezelfde afzender komen, maar je weet niet automatisch wie daarachter zit. Als je dat wel wilt weten, gebeurt dat buiten het netwerk om, bijvoorbeeld door elkaar fysiek te ontmoeten en een soort token uit te wisselen. Voor onbekenden blijft communicatie bewust pseudoniem.
Dan blijft de vraag over misbruik en spam. Mijn gevoel is dat dit systeem spam niet perfect hoeft te blokkeren, maar het wel onaantrekkelijk maakt. Elk bericht kost ruimte, verdwijnt na verloop van tijd en kan zich maar beperkt verplaatsen. Er is geen garantie op bereik of zichtbaarheid. Als mensen besluiten een afzender niet meer door te geven, door de afzender bijvoorbeeld te blokeren, sterft zo’n bericht vanzelf uit.
Ik zie dit nadrukkelijk niet als chatapp, niet als realtime communicatiemiddel en niet als vervanging van bestaande netwerken. Het werkt slecht als mensen zich helemaal niet verplaatsen en het biedt geen garanties. Dat zijn geen bugs, maar grenzen van het idee.
Wat mij er vooral aan aanspreekt, is dat het volledig leunt op iets dat bijna altijd blijft bestaan: menselijke beweging. Geen masten, geen servers, geen centrale choke points. Geen belofte dat alles werkt, alleen de vraag of er iets kan blijven werken als veel andere dingen dat niet meer doen.
Ik ben benieuwd hoe hiernaar gekeken wordt. Zie ik fundamentele aannames over het hoofd? Zijn er voorbeelden waar dit soort ideeën in de praktijk juist faalden of werkten? Of is dit vooral een theoretisch idee dat weinig toevoegt?
Ik blijf hangen bij de vraag wat er nog kan werken als communicatie echt onder druk komt te staan. Niet bij een kleine storing, maar in een worst‑case scenario waarin internet en mobiele netwerken praktisch niet meer bruikbaar zijn. Tegelijk zou zo’n fallback zo laagdrempelig moeten zijn dat iedereen met een gewone smartphone ermee overweg kan, zonder voorbereiding of extra hardware.
Bij grote storingen zie je eigenlijk al een voorproefje van zo’n scenario. Communicatie valt dan niet volledig uit, maar wordt wel praktisch onbruikbaar: netwerken raken overbelast, berichten komen veel later aan of helemaal niet, en centrale infrastructuur wordt ineens een knelpunt. Dat patroon zie je terug bij drukke evenementen, landelijke storingen en andere situaties waarin het systeem tegen zijn grenzen loopt.
Mijn eerste gedachte ging richting mesh‑netwerken. Dat klinkt logisch, maar in de praktijk wordt het al snel complex. Routing, energieverbruik, schaalbaarheid, het vraagt veel van apparaten en gebruikers, en daarmee verdwijnt juist de eenvoud die je in zo’n noodscenario nodig hebt. Dat bracht me bij de vraag of het nog simpeler kan.
De kern van het idee is vrij rechttoe rechtaan. Stel je voor dat elke smartphone een kleine hoeveelheid korte tekstberichten kan bewaren. Geen media, geen chatgeschiedenis, alleen losse berichten. Wanneer twee mensen elkaar tegenkomen, wisselen hun telefoons die berichten uit. Daarna bewegen ze weer verder, ontmoeten anderen, en gebeurt hetzelfde opnieuw. Berichten verplaatsen zich zo letterlijk met mensen mee door een stad.
Dat is traag, en dat is ook precies de bedoeling. Als alles normaal werkt, is zo’n systeem nutteloos; dan is elk bestaand netwerk beter. Maar als bellen, data en zelfs SMS praktisch niet meer werken, wordt “een bericht dat later aankomt” ineens interessanter dan “een bericht dat nooit aankomt”.
Belangrijk daarbij is dat berichten zich niet onbeperkt verspreiden. Als elk bericht bij elke ontmoeting zou worden gekopieerd, raakt het systeem snel verstopt. Denk aan een supermarkt: twintig mensen, twintig kopieën, en binnen korte tijd draagt iedereen hetzelfde mee. Opslag raakt vol en relevante informatie verdwijnt tussen duplicaten.
In dit idee werkt dat anders. Elk bericht start met een klein aantal ‘doorgeef‑munten’. Zo’n munt hoort bij het bericht en kan maar op één plek tegelijk bestaan. Wanneer twee telefoons elkaar tegenkomen, kan het bericht één‑op‑één worden doorgegeven: het bericht en één munt verhuizen samen naar de volgende telefoon. De vorige drager is die munt kwijt.
Het gevolg is dat het bericht niet wordt vermenigvuldigd, maar zich verplaatst. Er zijn nooit meer actieve dragers dan het aantal munten waarmee het bericht begon. Die dragers kunnen het bericht blijven doorgeven zolang ze mensen tegenkomen, maar het aantal blijft gelijk. Het bericht groeit dus niet, het schuift alleen door.
Daardoor worden drukke plekken vanzelf minder belangrijk. Je hebt geen massa nodig, maar spreiding. Een paar mensen die zich door verschillende delen van de stad bewegen zijn waardevoller dan veel mensen die allemaal op dezelfde plek blijven. Het bericht volgt mobiliteit, niet dichtheid.
Wat mij hielp om dit te plaatsen, was terugdenken aan corona. Toen zag je ook dat drukke plekken vooral voor lokale verspreiding zorgden, maar dat de echte verspreiding tussen wijken en steden vooral kwam doordat een beperkt aantal mensen zich verplaatste: woon‑werkverkeer, OV, familiebezoek. Het ging minder om hoeveel mensen je zag, en meer om wie zich tussen groepen bewoog. In dit idee wordt datzelfde mechanisme benut, maar dan bewust afgeremd.
Dit betekent ook niet dat elk bericht automatisch bij iedereen terechtkomt. In de basis zijn er twee soorten. Sommige berichten zijn algemeen en bedoeld als informatie voor wie ze tegenkomt, zoals “hier is water beschikbaar”. Andere berichten zijn gericht aan één specifieke persoon, bijvoorbeeld een simpele check‑in; alleen die ontvanger krijgt daar een melding van. Voor iedereen anders blijft zo’n bericht onzichtbaar en wordt het hooguit tijdelijk meegedragen.
Identiteit speelt daarbij een beperkte rol. Elk toestel heeft een vaste digitale identiteit zodat je kunt zien dat berichten van dezelfde afzender komen, maar je weet niet automatisch wie daarachter zit. Als je dat wel wilt weten, gebeurt dat buiten het netwerk om, bijvoorbeeld door elkaar fysiek te ontmoeten en een soort token uit te wisselen. Voor onbekenden blijft communicatie bewust pseudoniem.
Dan blijft de vraag over misbruik en spam. Mijn gevoel is dat dit systeem spam niet perfect hoeft te blokkeren, maar het wel onaantrekkelijk maakt. Elk bericht kost ruimte, verdwijnt na verloop van tijd en kan zich maar beperkt verplaatsen. Er is geen garantie op bereik of zichtbaarheid. Als mensen besluiten een afzender niet meer door te geven, door de afzender bijvoorbeeld te blokeren, sterft zo’n bericht vanzelf uit.
Ik zie dit nadrukkelijk niet als chatapp, niet als realtime communicatiemiddel en niet als vervanging van bestaande netwerken. Het werkt slecht als mensen zich helemaal niet verplaatsen en het biedt geen garanties. Dat zijn geen bugs, maar grenzen van het idee.
Wat mij er vooral aan aanspreekt, is dat het volledig leunt op iets dat bijna altijd blijft bestaan: menselijke beweging. Geen masten, geen servers, geen centrale choke points. Geen belofte dat alles werkt, alleen de vraag of er iets kan blijven werken als veel andere dingen dat niet meer doen.
Ik ben benieuwd hoe hiernaar gekeken wordt. Zie ik fundamentele aannames over het hoofd? Zijn er voorbeelden waar dit soort ideeën in de praktijk juist faalden of werkten? Of is dit vooral een theoretisch idee dat weinig toevoegt?