Vond ergens een grappig stukje , misschien istie oud , maar wel leuk :
Wiskunde een exacte wetenschap? Me hoela! In tegenstelling tot wat iedereen denkt, zal ik hieronder bewijzen dat filisofie exacter is dan wiskunde...
In de filosofie gaat men ervan uit dat
1 + 1 = 3
Dit houdt in dat de som der talenten méér is dan louter hun optelling; anders gezegd: alle principes die de wereld beheersen, leiden tot iets wat anders is dan de delen zelf, iets wat ze overtreft. Hoewel men dit zo aanneemt kan dit volgens de wiskundigen niet. Nu heb ik eindelijk een wiskundige oplossing voor deze paradox.
Neem de volgende vergelijking:
(a + b) (a - b) = a2 - ab + ba - b2
Aan de rechterzijde vallen -ab en +ba tegen elkaar weg:
(a + b) (a - b) = a2 - b2
Wanneer we beide zijden door (a - b) delen:
(a + b) (a - b) a2 - b2
=
(a - b) (a - b)
We vereenvoudigen de linker term:
a2 - b2
(a + b) =
(a - b)
We stellen a = b = 1:
1 - 1
(1 + 1) =
1 - 1
Wanneer bij een deling de onderste en bovenste termen identiek zijn, is deze gelijk aan 1:
2 = 1
Aan beide zijden 1 bij optellen:
3 = 2
Schrijven we 2 als 1 + 1:
3 = 1 + 1
En dit is hetzelfde als de stelling bovenaan.
PS. Als je kijkt naar de op twee na laatste formule 2 = 1 en laten we daar de laatste bewerking op los (2 als 1 + 1), dan krijgen we:
1 + 1 = 1
Huh?
De waarheid zal wel ergens in het midden liggen...
Wiskunde een exacte wetenschap? Me hoela! In tegenstelling tot wat iedereen denkt, zal ik hieronder bewijzen dat filisofie exacter is dan wiskunde...
In de filosofie gaat men ervan uit dat
1 + 1 = 3
Dit houdt in dat de som der talenten méér is dan louter hun optelling; anders gezegd: alle principes die de wereld beheersen, leiden tot iets wat anders is dan de delen zelf, iets wat ze overtreft. Hoewel men dit zo aanneemt kan dit volgens de wiskundigen niet. Nu heb ik eindelijk een wiskundige oplossing voor deze paradox.
Neem de volgende vergelijking:
(a + b) (a - b) = a2 - ab + ba - b2
Aan de rechterzijde vallen -ab en +ba tegen elkaar weg:
(a + b) (a - b) = a2 - b2
Wanneer we beide zijden door (a - b) delen:
(a + b) (a - b) a2 - b2
=
(a - b) (a - b)
We vereenvoudigen de linker term:
a2 - b2
(a + b) =
(a - b)
We stellen a = b = 1:
1 - 1
(1 + 1) =
1 - 1
Wanneer bij een deling de onderste en bovenste termen identiek zijn, is deze gelijk aan 1:
2 = 1
Aan beide zijden 1 bij optellen:
3 = 2
Schrijven we 2 als 1 + 1:
3 = 1 + 1
En dit is hetzelfde als de stelling bovenaan.
PS. Als je kijkt naar de op twee na laatste formule 2 = 1 en laten we daar de laatste bewerking op los (2 als 1 + 1), dan krijgen we:
1 + 1 = 1
Huh?
De waarheid zal wel ergens in het midden liggen...