Iedere computer op het TCP/IP-netwerk heeft zo'n uniek IPadres. Dat wordt door IP-routers gebruikt om de pakketjes met gegevens naar de juiste plaats te versturen. Dit adres is 32 bit lang, oftewel 4 bytes. Theoretisch gezien kunnen hier zo'n 4 miljard (4.294.967.296) verschillende adressen mee worden gemaakt.
Je vraagt je af hoe het mogelijk is dat er toch een tekort aan adressen is. Dit heeft te maken met de manier waarop IP-adressen worden uitgedeeld. Er zijn drie verschillende klassen IP-adressen: klasse A, B en C. Een klasse A adres bestaat uit een 7 bit netwerknummer, gevolgd door een 24 bit host-nummer. Deze klasse IP-adressen zijn bestemd voor de 128 (7 bit) grootste instanties ter wereld. Elk van deze instanties heeft bijna 17 miljoen (24 bit) host-adressen te vergeven. Alle klasse A adressen zijn reeds uitgedeeld. Een klasse B adres heeft een 14 bit netwerknummer, gevolgd door een 16 bit host-nummer. Deze adressen zijn gereserveerd voor de redelijk grote instanties.
Totaal kunnen er 16,384 instanties klasse B adressen claimen. Elk van hen heeft een totaal van 65.536 (16 bit) host-nummers voor eigen gebruik. Bijna alle klasse B adressen zijn ook al uitgedeeld. Tot slot is er klasse C. Zo'n adres bestaat uit een 21 bit (2.097.152) netwerkknummer waaraan een 8 bit host-nummer is gekoppeld, dat is 256 verschillende host-nummers. Als er nu behoefte is aan IP-adressen, moeten deze uit de laatste klasse worden gehaald.
Zoals u ziet is niet het aantal adressen het probleem, maar meer de methode waarmee ze werden verdeeld. Als een bedrijf iets meer dan 256 computers had kwam deze automatisch in aanmerking voor een klasse B adres, waardoor er ongeveer 64 duizend adressen werden vergeven. Reeds lang zijn er een aantal noodmaatregelen in gebruik om het tekort aan IP-adressen tegen te gaan. Met de introductie van het Common Interdomain Routing Protocol (CIRP) is het mogelijk om uit een aantal type C adressen een soort mini klasse B netwerk te maken.
Hmmmzz... Genoeg zo?