Het heeft te maken met de quantumgetallen L en S, waar L voor het orbitale impulsmoment staat en S voor het spin-impulsmoment. Een enkel electron heeft altijd S=1/2. In een s schil geldt bovendien L=0. Het totale impulsmoment is de som of het verschil van deze twee, dus +1/2 of -1/2. Echter, alleen de absolute waarde is interessant en daarom geldt L+S=1/2 voor de s schil.
Sla je het electron aan naar de p schil, dan krijgt het L=1. De combinaties worden nu L-S=1/2 en L+S=3/2. De d schil heeft L=2, etc. Deze getallen zijn belangrijk omdat een electron bij een overgang tussen twee toestanden altijd een mutatie in L van +/- 1 moet ondergaan, terwijl S met 1/2 of 0 moet veranderen. Andere overgangen komen in de natuur in principe niet voor. Voor Natrium is dit niet zo heel interessant, maar bij complexere atomen, met meer electronen in de buitenste schil, bestaan er soms metastabiele toestanden die je wel kunt aanslaan, maar die bijna niet kunnen vervallen. Alleen is het complete verhaal nog wat ingewikkelder; in de praktijk bestaan er geen oneindig lang stabiele aangeslagen toestanden. Om het grondig te begrijpen zou je een vakje quantummechanica moeten volgen

.